Paardenbus en paardentram
In de negentiende eeuw was er een nieuw vervoermiddel waarbij het paard een belangrijke schakel vormde: eerst de paardenbus en later de paardentram. De paardenbus werd door twee paarden getrokken als het hele traject glad was, zo niet dan moest er zelfs een derde paard bijkomen. Voordeel was dat de routes voor de bus konden worden aangepast en dat daarmee scherpere bochten konden worden gemaakt.

De paardentram reed op rails, dat liep uiteraard lichter en men kon met minder paarden volstaan. De paarden eisten verzorging en ruim de helft van het personeel was aangenomen voor het verzorgen van de paarden, die om de twee à drie uur werden afgelost. Een begrijpelijk nadeel was uiteraard in beide gevallen de grote hoeveelheid mest die op straat terecht kwam. Niet alleen in Nederland maar ook in veel andere landen deed de paardentram nog dienst tot in het begin van de vorige eeuw.
Treinen

Mede als gevolg van de uitvinding van de stoomlocomotief in 1814 werden de eerder beschreven vervoermiddelen in veel gevallen in de negentiende eeuw verdrongen door de spoorwegen. Op 20 september 1839 werd de eerste spoorlijn in Nederland feestelijk geopend. De stoomlocomotief “Arend” (foto rechts) trok de eerste trein van Amsterdam naar Haarlem.
Niet iedereen was gelijk enthousiast, veel mensen vroegen zich af of een trein wel nodig en veilig was met een ongehoorde snelheid van maar liefst 38 kilometer per uur (!). Dit vond men ervan: “De adem van de passagiers zou er vast en zeker worden afgeknepen, een ritje per trein kon niet anders betekenen dan pure zelfmoord. En wat te denken van die arme boeren langs de spoorlijn, hun koeien zouden van slag raken en nooit meer melk geven door het sissende en stampende monster.”
De trein werd echter een groot succes en rond 1880 lag er al tweeduizend kilometer spoorlijn. Door deze ontwikkelingen werd de wereld van de mensen groter. Bleef men voorheen vooral in de buurt van de eigen woonplaats, nu kon men verdere reizen maken.
Pas in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd het reizen over grotere afstanden voor steeds meer mensen bereikbaar.
Auto

De auto werd aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkeld en toen in 1908 Ford de massaproductie ter hand nam, kreeg de trein er een geduchte concurrent voor het personen-en goederenvervoer bij. Eerst zag men de auto nog als een leuke nieuwigheid, niet eens als een nuttig product. De modellen zijn in de verste verte niet meer te vergelijken met de huidige, goed te zien op deze foto uit de jaren dertig van de vorige eeuw met mijn schoonvader achter het stuur.
Het heeft geen zin het verder te hebben over de ontwikkeling van de auto want men kan zich langzamerhand de vraag stellen: Wie rijdt of reed geen auto? Zo ongeveer in de tijd dat de foto werd gemaakt telde Nederland 40.000 auto’s, tien jaar later al haast 100.000. Door de Tweede Wereldoorlog nam het aantal nauwelijks toe maar daarna ging het hard, heel hard met als resultaat dat vandaag de dag in Nederland 8,7 miljoen auto’s rondrijden.

Als we het toch over de opkomst van de auto hebben, mag eigenlijk één verhaal niet ontbreken. Het speelde zich af in 1955. Grote consternatie in het land, er was een nieuw fenomeen ontstaan, de eerste file bij Utrecht. Zoiets had men nog nooit gezien, men stopte langs de kant van de weg, stond op bruggen en viaducten om dat te aanschouwen. De foto zegt genoeg.
Het zou niet bij een eenmalig iets blijven, men had een nieuwe vorm van ontspanning gevonden, het bermtoerisme. Met tafeltjes en stoeltjes, dekens, kussens en uiteraard iets te eten en te drinken zocht men een plekje in de berm van liefst een snelweg. Wat men daar de hele dag deed? Gewoon auto’s kijken, want zoveel auto’s bij elkaar was in die jaren nog iets bijzonders.
Vliegtuig
Duizenden jaren droomden mensen van vliegen, maar eeuwenlang bleef het bij een droom. In 1903 stelden de gebroeders Wright een vliegtuig samen dat twaalf seconden vloog en zesendertig meter ver kwam. Zesenzestig jaar later stapte de eerste mens op de maan. Dit kwalificeert toch wel de enorme toename in reizen en kennis.
Minder dan negentig jaar geleden stond het vliegen nog in de kinderschoenen, een postvlucht met bijvoorbeeld plaats voor een paar passagiers van Nederland naar toenmalig Nederlands-Indië duurde zo’n vier dagen. In 1934 stond Nederland op zijn kop, De Uiver van de K.L.M. deed mee aan de luchtrace van Londen naar Melbourne. Het enthousiasme in het land kende geen grenzen, het toestel won de handicaprace, was dus niet de snelste. Bij terugkomst was het oude Schiphol afgeladen met een enthousiaste menigte die de bemanning toejuichte als waren zij zojuist wereldkampioen voetbal geworden om in hedendaagse termen te spreken.
Nog steeds paard en wagens?

Als eerst gebruikt middel van vervoer werd in dit artikel paard en wagen genoemd. Toen vroeg in de negentiende eeuw er moderne vervoersmiddelen kwamen dacht men dat paard en wagen het zouden afleggen, ze waren toch achterhaald en ouderwets? Maar dat bleek toch anders te zijn want voor vele vormen van kleinschalig en persoonlijk goederenvervoer bleef paard en wagen verantwoordelijk. De zogenaamde sleperswagen deed bijvoorbeeld in Rotterdam dienst voor vervoer van en naar de havens. Pas na de Tweede Wereldoorlog wijzigde dat beeld.
Maar ook dan nog waren er diverse beroepsgroepen die tot ongeveer 1970 met paard en wagen werkten. Melkboeren, groenteboeren en bakkers bijvoorbeeld gingen vaak met speciaal voor hun handel ingerichte wagens bij hun klanten langs.

Ook nu nog ziet men paard en wagens rijden, maar meer in de recreatieve sfeer, in de stad rondritten met toeristen of in bosrijke gebieden tochten met door paarden getrokken huifwagens.