Reizen door de eeuwen heen, deel 1

Wim Heistek 1 oktober 2024

Samen met een paar naamgenoten is er in de loop der jaren een aanzienlijk familiebestand opgebouwd dat teruggaat tot ongeveer 1550, zie hiervoor www.heijstekfamilie.nl/familiebestand. Behalve de persoonlijke gegevens wilde ik ook weten hoe zij leefden, woonden, werkten en reisden, maar daarvan staat weinig genoteerd. Als onderwerp voor dit artikel neem ik het reizen door de eeuwen heen. U zult dus, net zoals ik, in veel gevallen moeten fantaseren hoe onze voorouders reisden.

Reizende Heijstekken, dichtbij en ver weg

Neem nu oudst bekende voorvader Lodewijk Heijstek die aan het begin van de zestiende eeuw vanuit zijn geboorteplaats Bergeijk naar Uitwijk reisde.  Zijn zoon Guiljaam was waarschijnlijk ook reislustig want hem komen we later weer tegen in het Zeeuwse Colijnsplaat.  Mijn verre voorvader Evert trok nog voor het jaar 1760 vanuit Woudrichem naar Maasdam in de Hoekse Waard en stichtte daar een gezin. Ik waag te betwijfelen of hij hier een beter bestaan vond. Onder de titel “Evert Heijstek, een leven vol zorgen” werd u op 26 december 2014 via dit weblog een kijkje in zijn leven gegeven. Eén en al armoede en toen al rees bij mij de vraag hoe hij de afstand van Woudrichem naar Maasdam had overbrugd. Het was na de Sint Elizabeth vloed dus hij moest ook nog door de Biesbosch. Arie en Dirk, twee zonen van Evert, zouden via wat tussenstops uiteindelijk in Rotterdam belanden en stamvader worden van twee Rotterdamse takken, op dit moment geschreven als resp. Heistek en Heijstek. Vooral Dirk maakte nogal een omweg want wij troffen hem ook aan in Den Bommel op het voormalig eiland Goeree-Overflakkee, van waaruit hij in 1804 naar Rotterdam reisde.

Er waren altijd wel reislustige naamgenoten waarvan nog een paar voorbeelden. Nog voor het jaar 1800 liet Adrianus Heijstek het Land van Altena achter zich en vertrok naar de Noordwesthoek van Noord-Brabant. In diezelfde periode ging een Lodewijk naar Goudswaard in de Hoekse Waard. Toen in 1865 een begin werd gemaakt met het graven van het Noordzeekanaal was dat voor Jan en Barend Heijstek aanleiding om naar de Zaanstreek te verkassen. Voor een groot deel zijn de nakomelingen van genoemde pioniers in die streken blijven wonen, waarbij men kan spreken van een bijzonderheid in de schrijfwijze van de achternaam. Van degenen die zich vestigden in Rotterdam, Goudswaard en de Zaanstreek zou de achternaam Heijstek in verschillende tijden en plaatsen door de ambtenarij worden veranderd in Heistek.

Maar het waren niet alleen binnenlandse verplaatsingen, in de tweede helft van de negentiende eeuw gingen naamgenoten ook op zoek naar een beter bestaan overzee. Rond 1870 stak de in Nijmegen geboren maar in Rotterdam wonende Antonie Heijstek met zijn gezin de oceaan over en vestigde zich in Chicago. Vanuit Zeeland emigreerde Dirk Heijstek met zijn gezin naar Kalamazoo in de Amerikaanse staat Michigan. Direct bij aankomst liet Dirk zich Richard noemen en dacht daardoor sneller “in te burgeren”. Er waren er ook die uit geloofsovertuiging vertrokken zoals Jan Heijstek uit Giessen die in 1862 naar Zuid-Afrika vertrok en Willem Heijstek uit Middelburg die in 1864 naar Salt Lake City ging. Van beiden is de geschiedenis inmiddels genoegzaam bekend door middel van een aantal publicaties op dit weblog.

Hoe zij de reis hebben gemaakt is eenvoudiger vast te stellen, zeilschepen waren in hun tijd het belangrijkste vervoermiddel voor personen en goederen over zee. Het was voor velen een kostbare reis, voor een overtocht betaalde men dertig gulden, wat voor veel arbeiders neerkwam op twee à drie maandlonen. Met de komst van de eerste stoomschepen in de loop van de negentiende en motorschepen in de twintigste eeuw veranderde er uiteraard veel.

Als de emigranten na een lange zeereis waren aangekomen in de haven van bestemming wachtte hen nog een lange en vooral zware binnenlandse reis. Vaak nog met door paarden getrokken huifkarren reisde men nog vele dagen, soms zelfs weken. In Zuid-Afrika had men een prima alternatief voor het paard, daar werden de karren getrokken door ossen en heette het de ossewa. (zie afbeelding) 

Zoals gezegd, ik laat het aan uw fantasie over met welke vervoermiddelen men vroeger over land reisde. Dan moet ik u echter wel vertellen welke mogelijkheden er door de eeuwen heen waren. Soms hoor ik generatiegenoten zeggen: “Ik denk dat er geen generatie voor ons was die meer nieuwigheden heeft meegemaakt dan wij”. Toch heb ik het idee, neen ik weet eigenlijk wel zeker dat eerdere generaties hetzelfde hebben gezegd toen ook zij werden geconfronteerd met allerlei nieuwigheden in het vervoer. Laten we eens kijken hoe het reizen zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld. Ik noem voor de volledigheid de meest voorkomende mogelijkheden, ook die vast en zeker niet zijn gebruikt voor een verhuizing maar misschien wel om andere redenen.

Het paard, later met wagen

Vele duizenden jaren was het paard de snelste manier om over land te reizen, in al die tijd veranderde de snelheid van het reizen dus nauwelijks. Ongeveer vijfduizend jaar geleden werd het wiel uitgevonden, een toen zeer revolutionaire uitvinding.

Tot ver in de negentiende eeuw bleef het paard niet alleen de snelste manier van reizen, het was ook onmisbaar bij bijvoorbeeld het bewerken van het land en het binnenhalen van de oogst of het hooi. Bij deze foto zie ik in gedachten voorouders het hooi binnenhalen met hun aangespannen boerenwagens.

De postkoets

Een sprekend voorbeeld van het vervoer met paard(en) en wagen was de postkoets, ook wel bekend als de diligence. Hiermee werden van de zeventiende tot in de negentiende eeuw post en reizigers vervoerd. Veel verhalen waar een postkoets in voorkomt hebben vaak een zweem van nostalgie, maar het reizen per postkoets was verre van romantisch. Sommige wegen waren niet meer dan karrensporen en gedurende de reis zat men, vaak met vreemden, dicht op elkaar. De zitplaatsen waren weinig comfortabel en rustpauzes zeldzaam. De rubberband werd pas in 1841 uitgevonden en tot dan waren de wielbanden van hout of staal. Men werd gedurende de reis dan ook flink door elkaar geschud en kwam, zeker bij een wat langere reis, geradbraakt aan.

In de beginjaren vond men de postkoetsen nog adembenemend snel, in hun nadagen werden zij steeds meer het symbool van nostalgische traagheid. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd op steeds meer plaatsen de postkoets vervangen door het spoor, waarover later meer. Toch bleven er nog veel plaatsen onbereikbaar voor het spoor en kon de postkoets in afgelegen gebieden zelfs nog tot in de twintigste eeuw standhouden.

De trekschuit

Ongeveer tegelijkertijd met de postkoets was er nog zo’n tot de verbeelding sprekende mogelijkheid van vervoer, de trekschuit. De naam zegt het al, een boot die werd voortgetrokken op de wal. Vaak door een paard dat liep op het zogenaamde jaagpad met ernaast een begeleider, het jagertje genoemd. Maar ook werd de boot door mensen voortgetrokken, een behoorlijk zwaar karwei. Al in 1631 werd de eerste trekschuitroute in gebruik genomen en liep van Amsterdam naar Haarlem. In vergelijking met de postkoets was de trekschuit een redelijk comfortabele manier van reizen met een kajuit waar men kon zitten. Men moest alleen geen haast hebben met een gemiddelde snelheid van vijf kilometer per uur. Aan het begin van de negentiende eeuw voeren er maar liefst een kleine vierhonderd trekschuiten in Nederland die vaak door schippers bij de gemeente werden gepacht.

Dat onze voorouders gebruik maakten van paard en wagen, postkoets en/of trekschuit is een reële mogelijkheid, van de hierna genoemde fietsen uiteraard niet. Ik noem ze toch omdat de fiets altijd een uiterst belangrijke plaats heeft ingenomen in onze samenleving en het misschien leuk is wat meer van de oorsprong te weten.

Fietsen

In 1817 werd de loopfiets uitgevonden, een fiets met twee grote wielen maar geen trappers, geen rem en geen beweegbaar stuur. De fiets bestond geheel uit hout met stalen wielen en woog maar liefst 22 kg. In de jaren hierna werd de fiets verder ontwikkeld, er kwamen trappers en een beweegbaar stuur. Er werden verschillende modellen ontworpen voor dames die in die tijd grote, wijde rokken droegen. Het bezit van een fiets was vooralsnog alleen weggelegd voor de rijken, arme mensen konden dit niet betalen. Men kan zich voorstellen dat degenen die zich op deze fiets waagden, in het begin veel bekijks hadden.

Na de loopfiets kwam in 1868 de zogenaamde Hoge Bi, een model dat zeer waarschijnlijk niemand van ons ooit zelf heeft bereden maar velen zullen kennen van verhalen “uit de oude doos”. De Hoge Bi had een groot voorwiel met een klein achterwiel. De berijder kon met dezelfde trapbeweging sneller grotere afstanden afleggen, maar de fiets was niet ongevaarlijk. Bijvoorbeeld bij het afdalen van heuvels was het bijna onmogelijk veilig af te remmen. Het model heeft altijd een sfeer van romantiek gehad maar kwam, niet ten onrechte, over als een onhandig vervoermiddel.

Rond 1885 werd de eerste fiets ontworpen waarvan we kunnen zeggen dat het model in grote lijnen al overeenkwam met de fietsen die wij momenteel kennen. Deze fiets werd voorzien van een kettingaandrijving waardoor beide wielen even groot waren en dus een stuk veiliger. Een paar jaar na de ingebruikname van dit model fiets, rond 1888, werden de ijzeren wielen vervangen door luchtbanden en dat maakte het berijden een heel stuk meer comfortabel.

Wordt vervolgd.