Deel 5, slot
Eenmaal in Nederland aangekomen werden wij opgesplitst. Mijn buurvrouw kwam in Eygelshoven te wonen en ik kwam tijdelijk bij een vriend terecht in Valkenburg. Na een weekje moest ik me bij de gemeente melden voor zogenoemde bijstand. Natuurlijk nam ik al mijn notities mee en kreeg een uitzonderlijke royale bijstand. Hoger nog dan het salaris van de burgervader. Het klinkt vreemd, maar ik voelde daar niet gelukkig bij.

Het was de winter van 1962-1963,de koudste winters sinds tijden in Nederland. Het is toch niet gek dat ik dat ervoer als erg koud. Ik was tropische warmte gewend en geen koude. Bijna drie maanden lang zou het dagelijks vriezen. Het is het jaar waarop op de 18e januari de meest barre Elfstedentocht werd verreden. Na de hitte van de tropen was de Nederlandse winter voor mij echt afzien. Sneeuw en bevroren rivieren en meren waren nieuw voor mij.
Ik ging mijn vader bezoeken die toen in Noordwijkerhout woonde. Tot mijn teleurstelling werd ik door hem en zijn vrouw niet al te vriendelijk ontvangen. Dat ondanks dat ik ze jarenlang had gesteund. Maar goed, ik moest bij hun inwonen en solliciteerde bij een machinefabriek in Haarlem. Ik weet nog goed dat het heel erg koud was. Het vroor die dag 25 graden. Vanaf de bushalte moest ik naar de fabriek lopen waar ik voor mijn gevoel half bevroren aankwam. De fabriek kon extra handen die bereid waren te werken goed gebruiken en zo werd ik dus aangenomen. Ik werkte daar ongeveer twee maanden.

Op een dag ontmoette ik mijn vriend Hans Apfel. Een avonturier, net als ik. Hans wilde gaan varen om zo de wereld te kunnen zien. Altijd in voor een avontuur besloot ik hetzelfde te gaan doen, dus vroeg ontslag aan bij de machinefabriek. Het ontslag werd niet zomaar ingewilligd, dus bleef ik gewoon maar weg en twee dagen later zat ik op de Oranje en Hans op een vrachtboot, wat mij teleurstelde zonder mijn vriend Hans. Tja, we konden niet op dezelfde boot aanmonsteren.
Een jaar lang voer ik over de hele wereld. Nou ik had de hele wereld in een jaar wel gezien en ging in Nederland weer aan land en woonde weer in Noordwijkerhout. Ondertussen was het mij duidelijk geworden dat je in Nederland zonder een ‘papiertje” weinig kunt bereiken. Zodoende ging ik met succes naar school. Een half jaar werd ik bij de Technische Dienst van de NS geplaatst. Zoals altijd deed ik weer mijn uiterste best. Als NS-medewerker kon ik goedkoop reizen en deed dat ’s avonds en in het week-end. Zo leerde ik heel Nederland kennen. Maar ook dat werd ik op een zeker moment beu.
Ik vroeg ik mijn ontslag bij de NS aan om voor mij zelf te beginnen. Een Indische winkel, dus een toko moest het gaan worden. Die opende ik in Amsterdam aan de Bernard Loderstraat. Toen het goed ging met de winkel heb ik die verkocht. Het is halverwege de jaren zestig als ik besluit om te emigreren naar Brazilië.
Zuid-Amerika
Bij mij loopt het blijkbaar altijd weer anders. De man die onze reis organiseerde wijzigde de plannen zodat ik niet in Brazilië maar in Argentinië terecht kwam. Wij vertrokken met een groep van twaalf man uit Nederland en deden Buenos Aires aan. Na twee dagen met vliegtuig vertrokken we naar de provincie Misiones. De bus had houten zittingen en voor mijn gevoel ik kreeg na zo’n 250 km gereden te hebben eelt op de billen. In Elalcazar werden we met een pick-up opgewacht. Wij kochten eerst bultzakken en togen naar de kolonie. Het was een ruige omgeving met heel grote bomen. Als het niet regende was de weg erg stoffig en kon je door het opgeworpen stof geen bus of auto zien rijden. Als het regende liepen auto’s en bussen vaak vast in de modderige weg en moest je ze helpen duwen tot die wielen weer grip hadden op de harde bodem.
Intussen hadden de voorwerkers al een loods voor ons gebouwd en hoefden wij die niet zelf te timmeren met hout uit eigen bos. De regering had 300ha. voor ons aangekocht om thee te planten. De eerste 300m was al ontgonnen. Een ieder kreeg de eerste 200m. Ik zelfs het dubbele. Het was lichamelijk zwaar werk. Wij hadden een contract om thee te planten voor de Fa. Kroonen. Ik liet nogmaals 6 ha ontginnen en plantte maïs tussen de theestruiken. Op een zeker moment bezat ik een areaal van 13 ha. Er kwam ook nog tabaksaanplant bij.
Door het werk had ik de vader van Marta Villalba leren kennen en nodigde ze uit voor een barbecue. Eigenlijk nog meer om Marta beter te leren kennen. In het Nederlands heb ik haar ten huwelijk gevraagd. Zij verstond er geen woord van, maar begreep me uitstekend. In het eerste jaar van mijn verblijf in Argentinië traden wij in het huwelijk. Het werd een groot feest zonder eigen geld. Maar omdat ik heel veel maïs en tabak had geplant kreeg ik een voorschot van de winkeliers.
Naast de maïs en de tabak zette ik ook een sinaasappelenplantage op. Het zat mij toen niet mee. Nog voor de eerste oogst kregen wij storm en hagel waardoor vrijwel alle vruchten van de bomen vielen. Dan maar weer herbouwen. Gelukkig begon de thee te groeien en moest die gesnoeid worden. Dat leverde geld op.
Marta was zwanger geworden van ons eerste kind. Met een geleende auto vertrok Marta voor controle naar een dokter. Gelukkig was alles goed met haar en het kind en vernam dat er geen belemmeringen waren om thuis te bevallen. Op 14 augustus 1967 beviel zij van een flinke jongen. Sindsdien verrijkt Louis Clemente ons gezin.

Op een goede dag kregen wij weer een flinke storm te verduren. Alles ging opnieuw ten gronde. Mij zou niets anders resten om alles weer opnieuw op te bouwen. Marta dacht daar anders over en wilde niets meer van plantages in dit stormgat weten. Goede raad was duur. Ik kocht een tractor om als houtsleper in het bos te kunnen werken. Het verdiende goed. Maar toen onze zoon haast op een gevaarlijke slang trapte vertelde ik Marta dat zij maar naar de stad moest verhuizen. In die tijd werd ook onze dochter Herta Alejandra geboren. Het is het jaar 1971.
Terug naar Nederland
Politieke veranderingen in Argentinië kwamen ons onwelgelegen. Van het militaire bewind moesten wij onze producten zonder voorschot verkopen. Pas na een jaar kregen wij dan ons geld. Vanwege een devaluatie van 700% bleek dat voor het geld dat wij kregen voor iedere geleverde ton sinaasappelen, wij dan slechts één kilo suiker konden kopen. Daar werden we niet vrolijk van.
In dat ook wel mooie land heerste geen orde en rechtvaardigheid meer. Het houtslepen loonde niet meer, aannemers vervalsten handtekening in hun voordeel en de sinaasappelsverwerkende fabrieken betaalden niet meer uit. Dat gaf bij mij de doorslag het land te verlaten en naar Nederland terug te keren. Zo verlieten ook Marta en de kinderen hun geboorteland.
Met Marta en de kinderen vertrok ik op 14 juni 1980 naar Brazilië naar een kennis van ons en vijf dagen later naar Nederland om daar op de 20e juni aan te komen. Hier werden wij uitstekend opgevangen en nog diezelfde dag solliciteerde ik bij het ministerie van VROM. Twee maanden later kon ik al beginnen.
Als ik terug kijk op mijn leven, ik ben nu 85-jaar jong, ben ik nooit werkeloos geweest. Ik heb lang in Nederlands Indië gewoond, woonde 15 jaar in Argentinië en ben nu gelukkig in Nederland. Dat geluk ervaar ik ook omdat onze beide kinderen hier zijn getrouwd en wij grootouders zijn van twee kleinkinderen. De Soendanees taal waarmee ik ben groot geworden beheers ik niet meer. Met mijn jongere broer René, die al weer jaren in de USA woont, heb ik gelukkig nog steeds goede contacten.
William Eddy Heijstek is op 23 april 2020 in Zoetermeer overleden.