Het portret van William Eddy Heystek

William Eddy Heystek † 11 januari 2013

Deel 4, via Nieuw Guinea naar Nederland

Nederlands Indië wordt Indonesië

Het bestuur van Nederlands Indië werd over gedragen aan Soekarno. Gedurende de eerste weken ging het nog goed totdat de militairen begonnen te jatten. Aan Boeng Karno schreef ik een brief en informeerde hem dat zijn leger er een zooitje van maakte. Ik kreeg zowaar snel een antwoord van hem. Hij antwoordde: ,,als je niet aan de opbouw wilt werken dan ga je maar naar Holland en daar zul je armoede lijden en hierheen terug verlangen.”

Op een dag ging ik naar oom Piet om geschoten zwijnen op te halen. Hij vroeg mij waar ga je naar toe met al het vlees? Ik antwoordde: naar Nieuw Guinea. Ik zag het niet meer zitten op Java en koos voor het eiland dat toen voor de helft nog in Nederlandse handen was. Voor mijn reis daarheen kocht ik suiker, rijst en koffiebonen. Ik pakte al mijn gereedschap in, de Petromaks lampen en een oude fiets. Met een schip verlieten we Java en stoomden naar het oosten, het huidige Irian Jaya.

Nieuw Guinea

Daar aangekomen werd onze bagage niet op een normale manier uitgeladen, maar gewoon op het strand geworpen. Het zag er niet uit. Een groepsleider, de heer Timmermans, keek er naar en schrok zo dat hij er letterlijk dood van neerviel. Dat was dan de eerste dode die ik zag op dat eiland, maar ik had er in mijn leven al meer gezien. Het leven was hard.

Overal in het zand en in de grond lagen zware bommen die tijdens de oorlog door vliegtuigen waren afgeworpen. Zonder angst rolden we die naar de zee en kiepten ze daar in. Het was ongetwijfeld gevaarlijk werk, maar we vonden dat we geen andere keuze hadden.  Soms nam ik een te tillen bom op mijn schouder en liep er mee naar een klif en gooide het gevaarlijke voorwerp zo in de oceaan. We stonden er niet bij stil wat er allemaal had kunnen gebeuren als er een bom zou ontploffen. Toen we zo een wat fatsoenlijke toegang hadden gemaakt gingen wij een landje zoeken om te ontginnen.

Op een grote dump werd mijn aandacht getrokken door grote vrachtwagens en Japanse kleren. De meeste vrachtwagens hadden nog geen 500 km gereden. Dat kon ook niet anders omdat er nauwelijks wegen waren. Ik had veel belangstelling voor een van die vrachtwagens om die weer rijdbaar te maken. Ik vroeg de gemeente aan mij een accu te lenen totdat ik er zelf één kon kopen. Ook vroeg ik om een benzinebon van 20 liter per dag. Zo gezegd zo gedaan.

Tabaksplantage

Na een tijdje werd ik opgezocht door een ex directeur van de Cultuurschool. Hij informeerde of ik er voor voelde compagnon te worden bij een tabaksaanplant. Dat zag ik wel zitten. Wij hadden een terrein van een gewezen landbouwer, hij was een papuahoofd. Dat landje had ik met een Papuahoofd geruild voor een dubbelloops geweer. Hij blij en wij natuurlijk ook. Zo konden we gaan werken. Eerst maakte ik de tabaksbedden klaar om de tabakszaadjes te zaaien. Ik had veel vertrouwen in de toekomst en maakte reclame bij de andere landbouwers, maar niemand meldde zich aan. We lieten voor onze onderneming een grote tabaksschuur bouwen. Het werd een grote van 20×10 meter en 12m hoog. Toen die klaar was werden de eerste tabaksplanten geplant. In totaal hebben we drie hectare geplant. Om niet iedere keer zover te moeten lopen bracht ik mijn “hele hebben en houden” naar de tabaksschuur over en ging daar wonen. De afspraak was dat als ik een week in de tabaksschuur ging slapen ik dan automatisch gewisseld zou worden.

Ik zocht ontspanning. Op een avond verliet ik de schuur om elders naar een film van Dany Kay te gaan kijken. Oom Kees zou mij op de tabakscultuur vervangen. Het was zes kilometer lopen naar de plaats waar de film werd gedraaid. Ik weet nog als de dag van gisteren dat we daar uitbundig hebben gelachen om de hoofdrolspeler. Na afloop was het weer een ruim uur lopen naar huis. Het lopen door de schitterende natuur beleefde ik altijd als een attractie, ook deze keer.

Thuis aangekomen zei ook Kees dat ik net zo goed had kunnen wegblijven omdat die avond de tabaksschuur volledig was afgebrand. Ik had op dat moment niets anders dan het geld dat ik bij mij had gestoken. Het was 14 december 1952, een datum die ik nooit zal vergeten. De volgende dag moest ik naar het dorp toe om wat kleren te kopen en intussen zat ik te piekeren wat ik hierna zou gaan doen.

Tabaksplantage met schuur

Het afbranden van tabaksschuren kwam in die jaren helaas geregeld voor. Vaak waren die schuren vol met geoogste tabakbladeren die te drogen werden opgehangen. De laagste bladeren hingen dan 70cm boven de grond of nog lager. Op de grond werd een vuur aangelegd zodat de warmte de balderen kon drogen. Vaak ging dat fout met alle gevolgen van dien. Omdat er geen assurantiemaatschappijen waren die het wilde verzekeren, was je dan meteen weer terug bij af, dus straatarm. Hoewel er volgens mij bij deze brand geen sprake was van kwaadwilligheid, kwam het in die wel vaak voor dat branden werden aangestoken.

Ondanks mijn minder goede jeugdherinneringen aan de planten met de scherpe stekels, ging ik ananassen planten. Deze teelt duurt 10 maanden voor hij productief wordt. Om die tijd te overbruggen besloot ik voor het leger en de bewoners van de stad ook groenten aan te planten. Dat liep allemaal heel erg goed. Op een dag werd ik benaderd door de plaatselijke landbouwconsulent, de heer Poyk. Hij nodigde mij uit op zijn kantoor. Hij legde uit veel groenten nodig te hebben en bood mij vervolgens een kleine landbouwtrekker aan. Ik maakte daar natuurlijk graag gebruik van. Maar helaas, nog voor dat de trekker aankwam ondervonden wij een hele droge periode. Van november t/m januari viel er geen neerslag en verschraalden de aanwas. Een alternatief was snel bedacht. Zo begon ik deze keer aan een kippenfokkerij en kreeg daarvoor eendagskuikens aangeleverd. Ik moest toen wel iedere dag vroeg opstaan om de jonge dieren te voeren.

Naar Nederland

Het begin van de jaren zestig is de periode waarin veel westerlingen van hier naar Nederland of Australia vertrokken. Ik maakte mij nog geen zorgen over het leven op dit eiland. Maandelijks arriveerden er vanuit Nederland en Singapore schepen met levensmiddelen. Het leven was nog steeds goed.

Een vriend van mij werkte bij het proefstation. Met hem besprak ik de toestand alhier. Hij vond die niet geruststellend en adviseerde mij alles te verkopen en bood daarbij zijn hulp aan. Zijn advies volgde ik op en vroeg een paspoort aan om mijn geboorteland te kunnen verlaten. Ook een buurvrouw van mij wilde uit het land weg. Ik vroeg haar nog waar zij naartoe zou gaan. “Nederland” was haar besliste antwoord. Ook ik wilde wel naar het land van mijn voorouders. Nadat ik de boel aan de Papua’s had verkocht boekten wij beiden voor een enkele reis op de Waterman naar Nederland waar ik na 20 jaar weer mijn vader en diens vrouw hoopte te ontmoeten die eerder waren vertrokken.

Met de Waterman van de warme tropen naar het koude Nederland

Wordt vervolgd