Deel 1, de eerste jaren
Ik ben William Eddy Heystek, mijn roepnaam is Eddy. Op 22 maart 1928 werd ik in Loewoeng Gajah geboren. Dat is in het Cheribonse. Wij hadden daar een hele mooie grote woning en een groot erf waar ik met mijn jongere broer René en zusje Ruth Eveline speelde. Voor kinderen een ideale omgeving. Nederlands-Indië is voor mij synoniem aan de kruidnagelgeur van de knisperende kreteksigaret, het silhouet van de hoge klapperboom, de vele tinten van het landschap en natuurlijk de achter verre nevels verscholen vulkanen. Voldoende aspecten voor een heerlijke kindertijd zou men zo denken.

Mijn moeder heet Tjan Swie Lian Nio en mijn vader heet Louis. Vader werkte als employé bij een suikerfabriek te Loewoeng Gadjah dat betekent zoiets als olifanten kerkhof en waar nog altijd fossielen worden gevonden. Het was een van de vele tientallen suikerfabrieken in Indië. Deze fabriek was al in 1828 opgericht.
Mijn vader Louis Heijstek was wat men noemt een halfbloed. Dus zoon van een Nederlander die getrouwd was met een Indische vrouw. Hij werd op 20 juni 1903 in Ngawen-Ombo (Blora) geboren. Van beroep was hij tuinemployé in Sindanglaoet. Door deze functie had hij de zorg voor een goede gang van zaken wat betreft de dagelijkse werkzaamheden met betrekking tot het oogsten van het product (suiker), het vervoer daarvan naar de fabriek, het onderhoud, de bemesting van de aanplantingen. Het uitbetalen van het werkvolk was ook een taak voor hem. Kortom, voor zijn afdeling was hij verantwoordelijk voor een goede uitvoering van eventuele herontginningen en alles wat daarmede samenhangt.

Mijn moeder herinner ik mij als een lieve Chinese vrouw. Vader daarentegen gedroeg zich thuis erg dominant. Zo hielp hij onze moeder nooit met het huishoudelijke werk. In plaats daarvan hield hij zich op met zijn vrienden en bracht zijn tijd door met dobbelen. Soms won hij, maar meestal verloor hij en was er dan geen geld om eten voor het gezin te kopen. Gelukkig hadden mijn grootouders van moederskant een klein tokootje, een winkeltje, waar zij van alles en nog wat verkochten. Het was een winkeltje zoals er nu nog veel van zijn in Indonesië. Dus waar je zeep, schoonmaakartikelen, garen, naalden, potten en pannen, borden, bestek, gloeilampen, rijst, groenten en een hoop andere artikelen kan kopen. Ik weet nog dat als mijn moeder in geldnood zat, zij geholpen werd door haar ouders. Vlees kocht mijn moeder nooit voor ons. In plaats daarvan ging zij een of tweemaal per week met een dubbelloops geweer (kaliber 12) op jacht. Vaak werd zij daarbij vergezeld door mijn broer René.
Nederlands leren

Ik sprak vroeger uitsluitend Soendanees, dat is de oorspronkelijke taal van die streek. Op mijn vijfde ging ik naar school in Bandoeng en moest bij de vrouw van een collega van mijn vader in de kost in de Jalan Galoengoeng. Het huisnummer is mij ontgaan. Deze straat schijnt nog steeds te bestaan. Ik werd door Wieteke, haar dochter, naar school gebracht waar ik eerst het Nederlands moest leren Al heel gauw leerde ik de taal.

Op een dag werd ik door de hond des huizes (een buldog) in mijn arm gebeten. Nadat die was verbonden wandelde ik naar het paviljoen waar zich de kamer van Wieteke bevond. Onderweg daar naar toe werd ik door de gans die haar kamer bewaakte in mijn bibs gebeten. Bij Wieteke kwam ik graag. Samen met haar school ik in het paviljoen voor regenbuien als die in het regenseizoen op de daken roffelden. We genoten dagelijks van de zoete smaak van rambutan of pisang en ervoeren de prikkeling van tong en mond door scherpe pepers.
Na ongeveer een jaar kwam tante Keller vertellen dat ik mijn spulletjes moest inpakken. Waarom vroeg ik? Je vader en moeder komen je vanavond ophalen. “Nou goed dan”, ik pakte mijn spulletjes in en Wieteke hielp mij er mee. Het viel mij zwaar deze mensen te moeten verlaten. Ik had het daar erg naar mijn zin.
Toen mijn vader en moeder arriveerden, bedankten zij de familie hartelijk en rekende met mevrouw Keller af. Zo vertrokken wij naar een voor mij onbekende bestemming. Eindelijk na een reis van zeker vijf uurtjes waren wij aangekomen. Ik zag voor het eerst mijn broer terug en even later mijn zusje Ruth . Later hoorde ik dat mijn vader was overgeplaatst naar de suikerfabriek Kali Matie in het Pekalonganse.
Mijn vader had een hulp in dienst genomen. Zijn naam was Nadie. Hij hield ons erf en huis schoon, verzorgde de tuin, was chauffeur en voerde alles uit wat hem werd opgedragen. Je zou hem nu een klusjesman kunnen noemen, een manusje van alles. Hij was echt erg handig en overal goed in.
Een paar dagen na aankomst zei mijn vader tegen mij: “Ga jij met Nadie naar ons landje toe om hem daar te helpen.” Mijn vader bracht Nadie en mij met de auto naar Bandar waar hij een stuk land had gekocht. Bij aankomst bleek het daar zo koud te zijn dat ik een deken over mij heen kreeg. Mijn vader gaf Nadie opdracht wat hij moest doen en wees aan waar wij konden slapen. Het was een mooi landje met uitzicht op de zee.
De volgende dag gingen wij aan de slag met het planten van ananas. Na het werk onder een brandende zon verfristen wij ons bij een nabije bron. Twee dagen later haalde mijn vader ons op om weer terug te gaan naar huis. Daar had hij weer andere klusjes voor mij. Als kleine jongen moest ik altijd mijn moeder helpen. Ik deed dat altijd graag maar ook weer niet te veel. Vaak had ik de gewoonte mijn moeder tegen te spreken en dan kreeg ik een pak slaag. Huilen deed ik op een zeker moment niet meer, dat had ik mij afgeleerd. Op een dag werd ik gebaad in water met daarin zeven soorten heerlijk geurende bloemen. Natuurlijk ik vroeg mijn moeder waar dat goed voor is. Het is om de duivel uit je heen te jagen, zo legde ze uit. Nou ma, reageerde ik, de duivel vindt het allang heerlijk om een zoon als ik te hebben, en hoe ziet de duivel er uit? Zij gaf geen antwoordt maar ging rustig door om mij te schrobben.
In Kali Matie moest Nadie dagelijks de tuin vegen. Daarmee begon hij al om zes uur in de morgen. Het was dan net licht geworden. Daarna moest hij de autoschoonmaken. Mijn vader had een Ford 1930 en daarmee ging hij regelmatig op pad om de tuinen inspecteren. Ik weet nog goed dat ik een keer met hem mee mocht rijden en hij onderweg een lekke band kreeg. Gelukkig had vader wel een reservewiel in de auto, maar geen krik om de auto op te lichten. Mijn vader draaide rustig de moeren van de wielen los en tilde met beide handen de zware auto op zodat ik het wiel met de lekke band kon verwijderen en het reservewiel kon plaatsen. Ik was onder de indruk hoe sterk mijn vader was. We vervolgden de weg waarbij ik genoot van de rijstvelden onderweg.
Stille Kracht

Op een dag hoorden wij dat Nadie ziek was geworden. Hij had waarschijnlijk longontsteking en mijn moeder gaf hem pillen om beter te worden. Helaas hielpen die niet en een dokter was in die tijd niet voorhanden. Jammerlijk genoeg is Nadie aan zijn ziekte overleden. Hij werd in de buurt begraven. Na de begrafenis hoorden wij iedere ochtend het gestrijk van een takkenbezem op het erf. Als we buiten gingen kijken zagen wij niemand vegen maar was het erf wel keurig schoon. Wij geloofden er in dat het ‘t werk van Nadie was die op deze wijze zijn begraafkleedje wilde betalen. Mijn moeder toog toen met mijn jongere broer naar het kerkhof toe en zij bij Nadies begraafplaats dat alles zo goed was en hij het kleedje niet hoeft te betalen. Daarna hoorden wij ’s morgens niets meer.
Wordt vervolgd