Het portret van William Eddy Heystek

William Eddy Heystek † 11 januari 2013

Deel 2, een drama in de familie; oorlog in Indië

We verhuisden nog al eens. Op een dag kwam mijn vader thuis van zijn werk en zei: kom laten wij naar Bandar gaan en een daar een nachtje slapen want ik moet daar voor het nieuwe huis de bamboes voor de bouwstellingen nog betalen. Voor onderweg namen wij een tent en etenswaren mee. Zo gezegd, zo gedaan, het werd een leuke rit. Toen wij daarvan terugkwamen in Kali Mati (Dode Rivier) moest ik van mijn ouders al mijn boeken in een tas doen en met Rene ingeschreven worden bij een voor ons nieuwe school.

Kaneelboom

Ik had me aangewend om ’s morgens niets te eten. Op weg naar school liep ik langs het landje van een vriendje van mij. Zijn vader had daar een kaneelboom staan. Iedere dag pulkte ik een stukje van die heerlijke bast af en at dat op. Die bast groeit toch weer aan. Op een zekere dag kon ik er niet meer bij zodat ik op het  prikkeldraad moest gaan staan van het hekje dat die vader er had gezet. Toen die vader ging klagen dat de bast gepikt werd, ben ik er mee gestopt. Ik kon toen toch al niet meer bij de hoge bast komen.

Familiedrama in 1935

Ik ben nu bijna zeven jaar oud. Het is mij niet bekend of vader mijn moeder had getrouwd, maar het ging niet goed tussen hen. Op een dag toen ik binnen mijn huiswerk maakte, hoorde ik van nabij een luide knal. Ik ging meteen poolshoogte nemen en zag mijn moeder op de grond liggen met naast haar het dubbelloops geweer. Zij had er voor gekozen uit het leven te stappen en liet haar kinderen achter met alle gevolgen van dien. Zo kwam er een ruw einde aan een toch wel fijne relatie met mijn moeder.

Mijn vader werd gewaarschuwd, hij nam meteen maatregelen omdat wij, de drie kinderen, niet alleen thuis konden blijven. Ik moest naar een familie Den Hartog, een collega van vader, mijn zusje Ruth vertrok naar mijn Chinese oma helemaal in Tjiawie Gebang en René kwam in Batang bij het kinderloze echtpaar Joseph en Wilhelmina Stollé terecht. Mijn broer René zou later vertellen dat hij in Pekalongan bij de nonnen op school ging. Zijn (tijdelijke) pleegvader noemde hij oom Jo. Die werkte als stationschef bij het Nederlandsch-Indische Spoor.

Drie jaar later hertrouwde vader een katholieke Indische vrouw die veertien jaar jonger was dan hijzelf. Bij haar verwekte hij vier kinderen. Eugenie Theresia (1938), Gerard Albert (1940), Maria Margaritha (1942) en Alma Gerardine (1949). Het zijn onze halfbroer en –zusjes. Wij, de drie kinderen uit het eerste huwelijk, werden van het kastje naar de muur gestuurd. Zo zaten we een jaartje hier, dan weer een jaartje daar. Nergens konden of mochten wij lang blijven. Het waren niet de leukste jaren. Een aardigheid voor ons was als we iets te eten mochten kopen bij een passerende kaki lima, bijvoorbeeld bakso, sop, mie ayam  of saté. Een Kaki lima is een met de hand voortgeduwde kar. Kaki betekent “been” en lima is het getal 5. De kar heeft twee wielen en één standaard  waarop die kan rusten. De verkoper heeft twee benen zodat het totaal op 5 uitkomt. Kaki lima is dus een vijf-poot.

Mijn stiefgrootmoeder leerde ik kennen als een vrome katholieke vrouw. Zij was het er niet mee eens dat wij bij andere families opgroeiden en sprak mijn vader daar op aan: “Je kunt die kinderen niet zomaar weggeven, neem ze terug. Wij zullen wel voor ze zorgen!” Zo verbleven wij een tijdje bij “Opa” en”Oma”. Wij beseften dat we het bij hun niet prettig zouden krijgen. Onze vader was voor kinderen nog steeds niet de ideale man en onze stiefgrootvader ook niet al te braaf.

Opa was een kleine landbouwer, hij plantte ananas en cassave. Hoewel ananas een mooie plant is, is hij gemeen vanwege de vele stekels. Wij moesten op het veld meehelpen met het oogsten van de vruchten. Een onplezierig werk vanwege de vele pijnlijke krassen aan armen en benen. Gelukkig waren er ook fruitbomen waar wij wel van genoten.

Annanasplantage

Onze nieuwe grootvader had zijn land in de plaats Wonotoenggal en van hieruit gingen wij voor het nieuwe schooljaar dagelijks met de bus naar de zusters “Urselina” aan de Heerenstraat in Pekalongan en weer later naar de broeders in Buitenzorg, in het St. Vincentius. Deze broeders waren zeer streng, soms op het wrede af. Voor het minste geringste kreeg je met de vlakke hand een klap op de oren. Menigeen kreeg hiervan gehoorproblemen. Een andere favoriete straf was het je voor lange tijd laten knielen onder het kruis zonder dat men naar het toilet mocht en het dus in de broek deed.

Oorlogsjaren

Met de Japanse luchtaanval op Pearl Harbor, 7 december 1941, begon de Tweede Wereldoorlog ook in Oost-Azië. Een dag later verklaarde Nederland aan Japan de oorlog. Nog geen twee weken later werd Ternate gebombardeerd door de Japanse Luchtmacht. De strijd om Indië was snel gestreden. Tijdens de Japanse bezetting van Indië werden de Europeanen geïnterneerd in gevangenkampen, maar aan de inheemse bevolking lieten de Japanners een ander gezicht zien. De bevolking moest op de hand komen van de Aziatische bezetter, zo was de Japanse bedoeling. Indische Nederlanders met een lichte huidskleur belandden in gevangenschap. Vanuit Wonotoenggal gingen wij soms naar Bandar waren wij vandaar getuige van oorlogsgevechten en konden zien wie de strijd op zee had gewonnen.

Waterval nabij Lawang, in 2003 geschilderd door René Heystek

In Wonotoenggal verbleven wij één jaar tot vader vanwege de malaise een baan kreeg bij het leer- en werkkamp Poerwodadi nabij Lawang en waar wij dan dicht bij mijn zusje Ruth zaten. Vader leidde jongelui op tot kleine landbouwers die na de opleiding naar Nieuw-Guinea werden gestuurd om het land te bevolken en te ontginnen. Het kamp was een leuke plaats voor ons. René en ik konden daar fijn vissen en zwemmen in de rivier onder de waterval. Dat was eigenlijk verboden vanwege ongedierte zoals slangen en krokodillen. Maar wij waren jongens zonder vrees en gingen toch zwemmen. Het gevolg was wel dat wij thuis een flink pak slaag kregen als ze hoorden wat we hadden gedaan. Daar konden wij niet mee zitten Wij hadden pret gehad en niemand kon dat van ons wegnemen.

Mijn jongere broer heeft in 2004 vanuit zijn herinnering deze waterval geschilderd. Het doek pronkt nu onze in onze woonkamer.

In de buurt was er een voetbalveld waar ´s avonds niemand durfde te komen. Het was aangelegd op een oud Chinees kerkhof. Er stonden drie grote waringinbomen waar na zonsondergang de Chinese geesten vergaderden. Ging iemand toch het voetbalveld op dan werd hij in het Chinees uitgevloekt! En die Chinezen konden wel vloeken!

Na Wonotoenggal vertrokken wij naar Soerabaya en werden geplaatst in de Jongens Wezen Inrichting. Het dagelijkse leven op de JWI was heel militaristisch, marcheren van en naar school, van en naar de eetzaal, van en naar de slaapzaal, kompleet met “Geeft acht! Linksom! Rechtsom! Voorwaarts… Mars!“ Deze inrichting was voornamelijk een tehuis voor de minst braven in de samenleving en daar hoorden wij toch zeker niet bij!

Ook hier bleven we een jaar, maar de tijden werden beter en vader kreeg een betrekking op de suikerfabriek Djati nabij Ngandjoek in de residentie Kediri. Wij gingen daar met de trein naar toe. Bij aankomst moesten wij van onze vader meteen een vijver gaan graven in de grote tuin bij het huis dat ons ter beschikking stond.

Karbouw bij woonhuis

De fabriek stond zes kilometer van Ngandjoek waar wij op school zaten. Iedere morgen liepen wij naar school en iedere middag weer terug. Op weg naar de school nam ik altijd mijn katapult mee om in het veld vogels te schieten. Als ik dan op school aankwam had ik soms wel vier of vijf duiven geschoten. Die plukte ik kaal en op het achtererf van de school werd de barbecue aangestoken. De onderwijzer, die ‘s zondags met vader op jacht ging, rapporteerde alles aan vader.

Wordt vervolgd