Andreas Hijstek kreeg drie maanden detentie

Fred Heistek 1 januari 2026

Op 12 oktober 1893 verschenen drie jonge mannen voor de Arrondissementsrechtbank in Breda: Arnoldus Josephus van Oirschot, een 19-jarige goudsmid; Andreas Heijstek, 28 jaar en smid van beroep; en Johannes Kornelis Vermijmeren, een 16-jarige meubelmaker. Ze werden ervan beschuldigd dat zij op 31 augustus van dat jaar op een openbare weg in Tilburg een man hadden mishandeld. Het slachtoffer was Theodorus Dikmans, eveneens smid.

De rechtbank achtte het bewezen dat de drie verdachten de man opzettelijk en met geweld hadden aangevallen. Ze zouden hem hebben geslagen, geschopt en zelfs met een mes hebben verwond. De rechters legden ieder van hen een gevangenisstraf van één maand op, plus de verplichting om de proceskosten te betalen. Weigerden ze dat, dan dreigde lijfsdwang van maximaal acht dagen.

 Maar zowel het Openbaar Ministerie als de verdachten gingen in hoger beroep. Volgens justitie was de straf veel te mild, gezien de ernst van het geweld. De verdachten op hun beurt vonden de uitspraak onterecht, vooral omdat niet vastgesteld kon worden wie van hen had gestoken.

Hoger beroep in ’s-Hertogenbosch

Op 29 november 1893 vond de zitting in hoger beroep plaats, voor het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het OM riep vier getuigen op, de verdachten drie. Arnoldus van Oirschot liet zich bijstaan door mr. Loeff, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Andreas Heijstek koos voor mr. Pels Reijcken uit Breda. De jongste van het stel, Johannes Vermijmeren, verscheen zonder juridische bijstand.

Het Openbaar Ministerie beschuldigde de drie ervan dat zij die bewuste avond in Tilburg Theodorus Dikmans moedwillig en gezamenlijk hadden aangevallen. Alle drie zouden ze geslagen, geschopt én gestoken hebben, waarbij Dikmans een bloederige wond opliep.

De rechters luisterden naar alle verklaringen en stelden vast dat er, net als bij de eerdere zitting in Breda, nog altijd geen duidelijkheid was over wie precies met het mes had gestoken. Ook de nieuwe getuigen konden daar geen uitsluitsel over geven. Hij stelde vast dat “in den stand van het geding wat de daadzaken betreft, in hoger beroep geen verandering is gebracht”.

Een zwaarder vonnis

Hoewel de exacte rolverdeling onduidelijk bleef, vond het hof de oorspronkelijke straf te licht. De rechter vernietigde de eerdere uitspraak en legde ieder van de drie mannen een gevangenisstraf van drie maanden op. Het was een bittere pil: waar ze eerst dachten er met een maand vanaf te komen, draaide het hoger beroep voor hen uit op meer dan een verdubbeling van de straf.

In de gevangenis van Breda

Niet lang daarna meldden Van Oirschot, Heijstek en Vermijmeren zich bij de gevangenis in Breda om hun straf uit te zitten. Op 21 maart 1894 mochten Heijstek en Vermijmeren hun cel verlaten. Van Oirschot volgde een dag later. In het ontslagregister werd bij alle drie genoteerd dat zij zich tijdens hun detentie keurig hadden gedragen.

Wat begon als een gewelddadige zomeravond op een zandweg in Tilburg, eindigde in maandenlange opsluiting. De les die deze drie jonge ambachtslieden kregen was hard, maar volgens het gerecht noodzakelijk.

***