zoon van Maria Heijstek

Aan het einde van de 19e eeuw was Fijnaart een vredig agrarisch dorp in het westen van Noord-Brabant, gelegen binnen de gemeente Fijnaart en Heijningen. In een provincie die overwegend katholiek was, viel Fijnaart op door haar protestantse signatuur. Het dorp kende een hechte gemeenschap, met enkele kerken, scholen en ambachtelijke werkplaatsen. Ook droeg het dorp de naam van een familie die er al generaties woonde: Heijstek.
Op donderdag 29 december 1892, een koude winterdag, verliet schoenmaker Adrianus Ophorst zijn eenvoudige woning om koers te zetten naar het gemeentehuis. Daar deed hij aangifte van de geboorte van zijn zoon, geboren de avond ervoor uit zijn vrouw Maria Heijstek. Twee jaar eerder was hun dochter ter wereld gekomen; nu werd het gezin verblijd met een zoon, die zij de naam Hermanus Pieter gaven, een keuze waarover Adrianus en Maria het al eens waren geweest.
Hermanus groeide op als een gewone dorpsjongen, bezocht de plaatselijke school en koos later voor het ambacht van glasblazer. In Schiedam, destijds bekend als de ‘jeneverhoofdstad’ van Nederland, vond hij werk bij een glasfabriek. Zijn verblijf daar verliep echter niet geheel zonder incidenten. Op 14 mei 1913 werd er proces-verbaal tegen hem opgemaakt wegens wangedrag in het openbaar; hij had op straat gegild en luid geschreeuwd, wat door de autoriteiten voldoende ernstig werd bevonden om hem voor het kantongerecht te dagen. De straf: één dag hechtenis, die hij op 3 september van dat jaar uitzat.


Kennelijk verloor Hermanus zijn enthousiasme voor het fabrieksleven, want korte tijd later koos hij voor een totaal andere richting: hij meldde zich aan bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). In dienst van de koloniale macht vertrok hij naar Nederlands-Indië. Het militaire leven beviel hem; hij verlengde zijn contract en werd bevorderd tot Kanonnier Tweede Klasse.
Tijdens zijn verblijf in Indië leerde hij Corrie Warsijen kennen, geboren in Ambawara op Java. Op 18 juli 1923 trad hij met haar in Batavia in het huwelijk. Uit het huwelijk werd een zoon geboren: Adriaan. Hermanus bleef trouw aan het leger en verlengde meerdere malen zijn dienstverband. Tweemaal keerde hij terug naar Nederland met verlof: in 1921 en 1931. In 1934 ging hij met pensioen en ontving een jaarlijkse uitkering van 700 gulden, voldoende om een comfortabel leven te leiden in de tropen.


Het echtpaar bleef in Salatiga wonen, een kleine stad op ongeveer 600 meter boven zeeniveau, gelegen op het koelere, vruchtbare hoogland van Midden-Java. Omgeven door theeplantages, koffievelden en rijstterrassen bood Salatiga een schilderachtig uitzicht op vulkanen als Merbabu, Merapi en Telomoyo. De stad kende een gemengde bevolking van inlandse Javanen, Europeanen, Chinezen en andere etnische groepen. Deze diversiteit weerspiegelde zich in de lokale architectuur, religieuze gebouwen en markten. Het leven in Salatiga was gemoedelijk, vergeleken met de drukte van kustplaatsen als Batavia of Soerabaja.
Hermanus Pieter Ophorst, de zoon van een Brabantse schoenmaker en een vrouw uit de Heijstek-familie, genoot acht jaar van zijn pensioen in dit tropische paradijs. Op 9 augustus 1942 overleed hij, slechts 49 jaar oud, in Salatiga. Zijn echtgenote Corrie verliet haar geboorteland. Zij vestigde zich in Den Haag, met dierbare herinneringen aan Tempo Doeloe, het zoetige verleden van het oude Indië.
***