In Middelburg, in het jaar 1809, werd Adriaan Heijstek geboren als zoon van Jacobus Willem Heijstek en van Willemina de Wagemaker. Adriaan groeide op in de Zeeuwse hoofdstad en is daar op school gegaan.
Op zijn twaalfde werd bij hem “Mazelen” gediagnostiseerd waarvoor hij zeven dagen in het plaatselijke ziekenhuis werd behandeld. Het zou zomaar kunnen dat die opname zijn interesse in de heelkunde opwekte. Anderzijds zou het ook kunnen dat hij werd geïnspireerd door zijn oom Frans Hendrik Reen Cannegieter (Sneek 1792- Heinkenszand 1867) die in Zeeland als Heel- en Vroedmeester veel aanzien genoot. Hoe dan ook, Adriaan liet zich op latere leeftijd inschrijven als leerling in de “Chirurgijnie, Heel- en Vroedmeester”. Adriaan studeerde af en nadat de gemeente een bewijs van goed gedrag had afgegeven, vestigde hij in het jaar 1838 in Koudekerke een praktijk met een daarbij behorende apotheek. Koudekerke was een klein, agrarisch dorp met 1.000 tot 1.200 inwoners. Adriaan was toen 29 jaar oud.

Gehuwd, gevestigd, geschorst

In het jaar 1834 trouwde Adriaan in Koudekerke met de 43 jarige Elizabeth Cornelia Poulus. Dat het echtpaar zonder kinderen bleef kan een oorzaak vinden in de leeftijd van Elizabeth, maar evengoed een gevolg zijn van haar overmatige drankgebruik. Ook Adriaan raakte aan alcoholische drank verslaafd. Dat leverde hem een van overheidswege opgelegde berisping op. Desondanks bleef Adriaan drinken en werd hij in het jaar 1845 door het college Gedeputeerde Staten voor twaalf maanden geschorst en mocht hij zijn beroep als Heel- en Vroedmeester niet meer uitoefenen. Vier maanden na deze uitspraak is Adriaan in Koudekerke overleden. Hij was slechts 36 jaar oud. Voor zijn weduwe was het van belang dat Adriaan op de 6e februari 1845 bij de Middelburgse notaris Dirk Johan van der Horst Serlé zijn testament had laten opmaken. Dit testament is helaas niet meer terug te vinden in de “Notariële Archieven Zeeland”.

Nalatenschap
Adriaan Heijstek was geen kind van gefortuneerde ouders. Zijn vader was een “Kaaiwerker” (iemand die op de kade werkt en de kost verdient met het laden en lossen van schepen). Als er geen boten waren te lossen of te laden, verdiende hij een inkomen als “Puntloper” (iemand die platbodems [punters] vanaf de kant met een stok voortduwt of aan een touw voortrekt).
Heelmeesters konden in de 19e eeuw kennelijk een aanzienlijk inkomen vergaren. Zo wist Adriaan na zijn overlijden een aanzienlijk fortuin na te laten. Destijds gold al dat over een nalatenschap belasting moest worden betaald. Na zijn dood werd een zogeheten Memorie van Successie opgesteld. In dit document wordt verwezen naar zijn testament en worden zowel de waarde van zijn bezittingen als de nog lopende schulden vastgelegd. Hieruit blijkt dat Adriaan beschikte over een groot aantal certificaten en tevens geld had uitgeleend aan derden. Daarnaast bezat hij goud en zilver, en werd de waarde zijn inboedel, waaronder meubelen, boeken, medische instrumenten en zijn apotheek, vastgelegd.
Omdat Adriaan en zijn echtgenote Cornelia Heijstek-Poulus in gemeenschap van goederen waren getrouwd en het gezin zonder kinderen was gebleven, kwam automatisch de helft van de bezittingen aan Cornelia toe. Over het deel van Adriaans bezit dat zij erfde, diende echter erfbelasting te worden afgedragen. Na aftrek van kosten bleek de nalatenschap een waarde van f 62,898,11 te bedragen. Cornelia diende over het “mansdeel” van de nalatenschap een successie (belasting) van f 1724,74 te betalen.

Schenkingen
Tien maanden na het overlijden van Adriaan Heijstek hertrouwde Elizabeth met Bart Martinus de Bruijn. Het is niet aannemelijk dat Elizabeth aan haar tweede echtgenoot geld heeft nagelaten. Uit de Memorie van Successie die in het jaar 1888 werd geschreven na het overlijden van Bart Martinus blijkt dat zijn nalatenschap f 863,50 groot was.
Elizabeth overleed in Koudekerke op de zesde juni 1867. Van haar was het bekend dat zij meeleefde met de zwakkeren in de samenleving. Dat bleek ook uit haar notarieel opgemaakte testament. Daarin had zij laten vastleggen dat een bedrag van f 15.000,00 moest worden geschonken aan het Burgerweeshuis in Middelburg, een bedrag van f 10.000,00 aan de Nederlands Hervormde Diaconie f 6.000,00 aan het Middelburgse Oude Manen en – Vrouwenhuis. Aldus gebleken uit een vermelding in een van de plaatselijke couranten.


***