Johannes Jacobus Heijstek, onze eigen Ketelbinkie?

Wim Heistek 25 maart 2024

Bij het doornemen van ons genealogisch bestand stuitte ik op een Rotterdams gezin waarbij een bepaald feit mij sterk deed denken aan het welbekende lied van Ketelbinkie, een straatjongen uit Rotterdam. Een smartlap uit 1940, geschreven door Anton Beuving voor een in 1942 uitgezonden hoorspel. In de tekst beschreef hij de belevenissen uit zijn eigen jeugd, hij voer toen op de grote vaart.  Alleen het slot, waarin Ketelbinkie kwam te overlijden, is door hem verzonnen.

Vader Jan Jacobus Heijstek

Inschrijving Jan Jacobus voor de Nationale Militie in 1817

Ik laat U eerst kennismaken met Jan Jacobus Heijstek, gedoopt in Dordrecht op 30 juni 1796. Hij was een zoon van Geertruij Heijstek (Uitwijk 1755 – Dordrecht 1808), de vader was onbekend of zoals de doopakte vermeldde: “onegt kind”.  Door middel van een aantal aktes in de archieven zijn we aardig wat van Jan te weten gekomen, maar niet wanneer hij zich in Rotterdam vestigde. Wel weten we dat Jan heeft gevaren, bij zijn inschrijving in 1817 voor de Nationale Militie in Dordrecht was als beroep vermeld zeeman. In dat jaar 1817 kon men nog geen foto’s maken, doch met de vermelde uiterlijke kenmerken zou men nu een prachtige compositietekening kunnen maken. Een breed aangezicht, brede neus, ronde kin, ronde mond, bruine ogen, een hoog voorhoofd, zware wenkbrauwen, zware bakkenbaarden, enz. Zou het kunnen zijn dat Jan tijdens een verlofperiode in Rotterdam zijn latere vrouw ontmoette

en zich aan wal vestigde?  Jan was al 36 jaar toen hij op 7 november 1832 in Rotterdam trouwde met Pieternella Maria Luijten, die in Rotterdam werd geboren op 2 juni 1802.  Uit de huwelijksakte blijkt dat Jan dan al in Rotterdam woonde en werkzaam was als sjouwer. Ook weten we dat Jan kon schrijven, een fraaie handtekening siert de huwelijksakte. Zijn vrouw Pieternella tekende echter met een kruisje met de ambtelijke vermelding dat zij niet kon schrijven.

Het gezin van Jan en Pieternella

Als eerste kind uit hun huwelijk werd op 8 april 1834 Cornelia Pieternella Maria geboren, zij zou slechts vijf weken oud worden. Onze hoofdpersoon Johannes Jacobus zag op 28 juni 1835 het levenslicht, waarna twee kinderen werden geboren die heel jong kwamen te

overlijden: Antonie Philippus van 26 maart 1837 werd amper twee weken oud en Cornelia Antonia van 14 augustus 1838 zou twee maanden oud worden. Op 8 april 1840 kreeg zoon Johannes Jacobus een broertje met de naam Antonie, die later met zijn vrouw Maartje Lydia Heijstek – Spaanderman zou vertrekken naar het voormalig Nederlands-Indië en aldaar op 51-jarige leeftijd overleed. Over deze Antonie en vooral over zijn nazaten is al eerder een publicatie verschenen. Daarna nog meer verdriet voor Jan en Pieternella, in 1844 een doodgeboren kind en het jaar erop een dochter die nog geen week zou leven.

Jan blijft aan de wal

Hoewel in de geboorteakte van Johannes Jacobus van 28 juni 1835 is vermeld dat vader Jan zeeman was, zijn er voldoende redenen om aan de juistheid van die vermelding te twijfelen. Na zijn huwelijk vestigde hij zich aan de Schotschedijk 473 in Rotterdam, het meest zuidelijke deel van de dijk die thans bekend is als de Schiedamsedijk. De reden van de benaming Schotschedijk is gelegen in het feit dat vele Schotten zich daar in de zeventiende en achttiende eeuw hadden gevestigd. Eerst in 1849 was er een gemeentelijk besluit dat de naam Schotschedijk vervallen werd verklaard en het geheel werd aangeduid als Schiedamsedijk. Op hetzelfde adres is hij in 1838 vermeld als tapper, zeg maar kastelein. In 1841 aldaar als slaapstedehouder (een ruimte waar men kon overnachten in gemeenschappelijke slaapruimtes), later als logementhouder (het uitbaten van een hotel), een beroep dat hij tot zijn overlijden in 1858 zou uitoefenen. Hedentendage zou men kunnen zeggen dat Jan werkzaam was in de Horeca. 

Zoon Johannes Jacobus

Niet de Jacoba Helena, maar een soortgelijk fregatschip

Ons verhaal richt zich verder op zoon Johannes Jacobus. Van hem weten we weinig, niet of hij school heeft gegaan of wellicht al werkte.  Het eerste wat we van hem te weten komen is dat hij op 16-jarige leeftijd aanmonsterde op het fregatschip Jacoba Helena, een vrachtzeilschip met passagiersaccommodatie dat een dienst onderhield tussen Rotterdam en het voormalig Nederlands-Indië. Werd hij wellicht geïnspireerd door zijn vader, die zeeman was geweest? Weliswaar weet ik dat in tegenstelling tot het lied, de Jacoba Helena geen oude schuit was, zeer waarschijnlijk geen kakkerlakken en ratten aan boord had en onze Johannes geen ketelbinkie kon zijn, hij voer tenslotte op een zeilschip. Het schip was in 1846 gebouwd in Middelburg en was 750 ton groot. Maar toch geef ik U het eerste couplet van het Ketelbinkielied, waar wellicht de laatste regels voor Johannes hebben gegolden:

“Toen wij van Rotterdam vertrokken,
Met de “Edam”een ouwe schuit,
Met kakkerklakken in de midscheeps,
En rattennesten in ’t vooruit,
Toen was er een kleine jongen,
Als Ketelbink bij ons aan boord,
Die voor de eerste keer naar zee ging,
En nooit van haaien had gehoord,
Die van zijn Moeder aan de kade,
Wat schuchter lachend afscheid nam,
Omdat-ie haar niet durfde zoenen,
Die straatjongen uit Rotterdam.”

Voor de eerste keer naar zee

Uit dit couplet komt het afscheid mij voor de geest. Het is begin augustus 1851 als Johannes afscheid neemt van zijn ouders en zijn dan 11-jarige broer Antonie en in Rotterdam aan boord stapt van de Jacoba Helena. Het eerste deel van de reis gaat “binnendoor” naar Hellevoetsluis, een flinke omweg, want er is nog geen Nieuwe Waterweg. In de krant van 16 augustus 1851 lezen we: “Volgens particulier berigt is heden van Hellevoetsluis, gesleept door stoomboot Brouwershaven in zee gezeild het fregatschip Jacoba Helena, kapitein Pfeil, van deze stad naar Batavia.”

Het was in een tijd dat er nog geen communicatiemiddelen waren en het dus lang duurde voordat berichten hun bestemming bereikten.  Scheepstijdingen werden onder andere gemeld aan de hand van het zogenaamde praaien, met passerende schepen werden gegevens uitgewisseld en gemeld in de eerstvolgende haven. Zo meldde een plaatselijke krant: “Jacoba Helena, kapitein Pfeil, werd gepraaid ter hoogte van Wight op 19 augustus 1851 van Rotterdam naar Batavia.”

Een lange reis

Natuurlijk was het een lange reis van Rotterdam naar Batavia (het huidige Jakarta), het Suezkanaal moest nog worden gegraven en de schepen moesten dus om Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika varen, waar soms werd aangelegd om vers water en voedsel in te nemen. Zeer waarschijnlijk was Johannes aangemonsterd als lichtmatroos, misschien wel volgens een ander bekend liedje: “hij moest klimmen in de mast, maken de zeilen met touwtjes vast…”

De rede van Batavia rond 1850

Na de Indische Oceaan te zijn overgestoken kwam het schip, na een reis van drie maanden, op 8 november 1851 aan in Batavia, beter gezegd op de rede daar. Als we de scheepstijdingen verder volgen ontstaan er onduidelijkheden over exacte ligplaats en datum, niet verwonderlijk gezien de wijze van communicatie. Gemeld werd dat het schip op 13 december aankwam in de haven van Batavia, op 26 december daar op de rede lag en op 31 december vertrok naar Onrust, een slechts 3½ vierkante kilometer groot eiland voor de kust van Batavia, ook wel Scheepseiland genoemd. Op 19 januari 1852 lag de Jacoba Helena weer in de haven van Batavia en werden voorbereidingen getroffen voor de terugreis naar Nederland.

De laatste reis van Johannes

Op 28 januari 1852 lag het schip inmiddels “ter reede Batavia” en op 11 maart zeilde men uit voor de lange thuisreis. Aan boord ook passagiers, waaronder elf kinderen, van Nederlanders die in Indië woonden en met verlof naar het vaderland gingen. Men passeerde Kaap de Goede Hoop en zeilde naar het eiland Sint-Helena voor proviandering. Hierna zou het laatste deel van de reis beginnen, nog een paar weken en misschien was Johannes op tijd thuis om daar zijn zeventiende verjaardag te kunnen vieren. Zover zou het niet komen, wat er is gebeurd is niet te achterhalen, we weten slechts dat hij ziek werd en overleed. Kapitein J.M. Pfeil van de Jacoba Helena vermeldde hierover in het logboek: “op heden den 26 mei achttienhonderdtweeenvijftig, zeilende op 3°36’NB en 21°21’WL ’s-Namiddags ten 2 ure compareerde voor ons Johannes Matthias Pfeil, gezagvoerder van het Nederlandsch fregatschip Jacoba Helena volgens burgerlijk wetboek agerende als ambtenaar van den Burgerlijken Stand, Karel Hendrik Adrianus Boers, van beroep Eerste Stuurman oud 29 Jaren en geboren te Hazerswoude en Daniel Agne Florijn van beroep Tweede Stuurman oud 36 Jaren en geboren te Rotterdam, aan boord van voornoemde bodem dewelke verklaaren dat op bovengenoemde datum, plaats en uur is overleden aan boord Johannes Jacobus Heijstek, geboren te Rotterdam den 28 Junij achttienhonderd vijfendertig, zoon van Johannes Jacobus Heijstek en Pietronella Luijten en hebben de comparanten zulks met ons onderteekend en gedaan aan boord van het fregatschip Jacoba Helena den 24 mei 1852.”

Ik wil het laatste couplet van Ketelbinkie graag met de lezer delen, mijns inziens spreekt dit voor zich:

“In zeildoek en met roosterbaren,
werd hij die dag op ’t luik gezet,
De kapitein lichtte zijn petje
en sprak met grocstem een gebed…
En met een „Eén-twee-drie-in-Godsnaam!”
ging ’t ketelbinkie overboord,
die ’t ouwetje niet durfde zoenen
omdat dat niet bij zeelui hoort…
De man een extra mokkie „schoot-an”
en ’t ouwe mens een telegram.
Dat was het einde van een „zeeman”,
die straatjongen uit Rotterdam.”

Welk een toeval, 28 juni

Het bovengenoemde lied werd dus geschreven in de 20ste eeuw en inderdaad, toen konden telegrammen worden verzonden. Maar niet in 1852, het schip vervolgde zijn reis en liep op 28 juni 1852 binnen in Brouwershaven. Die datum, welk een bijzonder toeval: de Jacoba Helena was na negen maanden weer terug in Nederland precies op de dag dat “onze” Johannes Heijstek zijn zeventiende verjaardag zou hebben gevierd. Wel moest het schip nog van Brouwershaven naar Rotterdam waar het op 5 juli zou arriveren. Zouden op dat moment Johannes’ouders al op de hoogte zijn van het vreselijke nieuws over hun zoon? Stonden zij wellicht op de kade te wachten, gelijk Kniertje ooit wachtte op haar visserszoon, het laatste naar het boek Op Hoop van Zegen. We zullen het nooit weten, de zoon van Jan Jacobus en Pieternella Heijstek was op zee gebleven. Op 20 september 1852 werd zijn overlijden ingeschreven bij de Burgerlijke Stand van Rotterdam, aan de hand van het scheepslogboek van kapitein Pfeil.  Niemand zou toen ooit hebben kunnen bevroeden dat ruim 150 jaar later wij in staat zijn de waarschijnlijk enige, maar in ieder geval laatste zeereis van Johannes Jacobus Heijstek te reconstrueren.

Vader Jan Jacobus had veel te verwerken

Natuurlijk de gezinnen hadden veel kinderen, maar de kindersterfte was eveneens heel hoog. Maar Jan Jacobus en Pieternella kregen wel hun deel. Van hun zeven kinderen moesten zij er vijf op zeer jeugdige leeftijd begraven, een zoon bleef op 16-jarige leeftijd op zee en hun enig overgebleven zoon Antonie vertrok naar de tropen en zij zagen hem nooit meer terug.

Een jaar na het verlies van zoon Johannes moest vader Jan nog een zware gang maken naar het kerkhof, op 7 oktober 1853 overleed zijn vrouw Pieternella Maria Luijten, nog maar 51 jaar oud. Op 19 september 1855 hertrouwde hij in Rotterdam met de in 1825 in Amsterdam geboren Fijtje Jans Leertouwer. Jan Jacobus zelf overleed op 13 mei 1858.

(dit artikel werd eerder op dit weblog geplaatst op 26 februari 2016)