Bij onderstaande foto: tegenliggers zorgen er voor dat er zoveel stof in m’n kleding komt dat een bedoeïen er jaloers op zou zijn. Op zulke momenten stop ik, omdat er geen meter zicht is, maar ook om te voorkomen dat het luchtfilter verstopt raakt.
Klik op de foto's voor een vergroting.
Een ronduit gevaarlijke traject.
Berucht is in Noord-Kenia het 520 km lange traject Isiolo – Moyale. Dit moet in konvooi gereden worden vanwege het banditisme. Vraag ik tevoren hoe laat het konvooi vertrekt. Om 6.30 uur. En dat is nou typisch voor Afrika: men zegt en doet maar wat, dus als ik om 6.30 uur arriveer is het konvooi al weg. Kennelijk zie ik er afschrikwekkend genoeg uit, want de militairen verzekeren me dat ik het eerste deel ook wel zonder kan. Na enkele uren (!) kom ik de eerste tegenligger tegen. In het busje zitten drie nonnen met chauffeur. Als ze horen van mijn plannen oogst ik alleen maar afkeuring. “Er zijn 2 weken geleden in dit gebied tien mensen vermoord. “Nergens stoppen en ga niet van de weg af!” (3x en met nadruk). Ai … dit drukt de argeloosheid, wat toch minder lekker rijdt. Hoewel de nonnen in tegengestelde richting gaan, zijn ze qua medeleven erg meegaand: ze wijzen me op een slaapplaats op hun missiepost. Niet echt gerustgesteld vervolg ik mijn weg: naar de horizon en vóór die berg rechts. (zie foto)
De missiepost bevindt zich in het kerngebied van de Masai, het herdersvolk dat even achteloos met de speer omgaat als ik met mijn potlood. Een gereserveerde maar nette ontvangst is mijn deel. Het volgende doel is Marsabit, waarna een gebied komt waar het echt gevaarlijk is en niet alleen vanwege de leeuwen. Ik overweeg het volgende: ben alleen, rijd door een onbekend gebied met groot wild, mogelijk criminaliteit en een weg die nog het meest lijkt op een verwaarloosd landbouwpad. Eigenlijk is mijn motor met belading iets te zwaar voor dit soort expedities. Wat is wijsheid? Ik onderzoek de mogelijkheid mijn motor voor dit ruige deel in een vrachtwagen te plaatsen, maar het ontbreekt aan bevestigingsmogelijkheden, dus waag ik het er maar op. Opnieuw in konvooi met militaire begeleiding, dat is niet voor niets, maar na de eerste kilometers is er van enige organisatie al geen sprake. Hallo Afrika! Dan maar alleen. De weg is zodanig wild dat een parcoursbouwer er jaloers op zou zijn. Voor een allroadmotor als de Honda Transalp een uitgelezen kans zich te bewijzen en ik ondertussen maar
hopen dat het goed gaat. Er valt geen 112 te bellen, er is geen wegenwacht paraat en altijd de vraag wat of wie er achter de bosjes schuilt. Daar kom ik achter als in los zand mijn motor weer eens plat gaat en ik bij het optillen per ongeluk de claxon raak: een behulpzame ‘bosjesman’ staat uit het niets naast me voor hulp. Gelukkig bereik ik Moyale aan de Ethiopische grens opgelucht met de zijdelingse opmerking dat daar verder geen verhaal in zit.
Enkele ergernissen.
Het beste voorbeeld van een irritante ervaring is de aankomst in Egypte. Egypte is een ramp om met een voertuig binnen te komen, want alles moet nieuw: kentekenplaat, wegenbelasting, verzekering en bij het verlaten van de kantoren kosten voor de stalling van 3 dagen. Het tempo waarin dit alles afgewikkeld wordt, vraagt golven van geduld. Eén ding is zeker, het is geen gebrek aan personeel: verschillende ambtenaren lezen een boek, breien of zitten breed achter een schoon bureau. Dit heet verborgen werkloosheid: zeggen dat je een baan hebt, maar niets uitvoert. Bij het verlaten van Egypte moet alles weer in omgekeerde volgorde teniet gedaan worden met natuurlijk de bijkomende kosten.
En dan zijn er nog de grote steden die als verplichte nummers in het wegennet opgenomen zijn al is het alleen al omdat je ze nodig hebt om banken geld afhandig te maken. Windhoek, Lusaka en Dar es Salaam zijn gewoon druk, maar hebben nog iets overzichtelijks. In Addis Ababa heerst een geordende chaos die, vooral vanwege de leeftijd van het wagenpark, zich langzaam verplaatst. Steden als Mombassa en Nairobi ben je blij als je ze heelhuids verlaten kunt, maar de verkeersgekte slaat pas echt toe in Cairo. Dit is een stad van 20 miljoen inwoners met een omvang van de provincie Utrecht. Een verkeersjungle waar het recht van de sterkste geldt. Het valt op dat het bijna uitsluitend personenauto’s zijn met beambten die naar een lege werkplek gaan of met een kofferbak gevuld met bestelde ambachtelijke producten. Vrachtverkeer ontbreekt bijna, want geen grootschalige productie en consumptie. Wel een uitgebreide bazaarsector, maar voor de productie van enkele waterpijpen heb je geen vrachtauto nodig. In Cairo lijkt elke verkeerssituatie een kwestie van onderhandelen, waarbij ik op mijn motor in de hiërarchie een ondergeschikte dus kwetsbare plaats inneem. Omdat alle wegen naar Cairo leiden en alle ambassades zich in die stad bevinden is er geen ontkomen aan. Na de stad onbeschadigd verlaten te hebben, dank ik Allah voor zijn gunsten.
Leuke en onveilige contacten
Als ik in de voorbereidingstijd vertel naar Afrika te gaan, kijken sommigen bedenkelijk. Als ik dat dan met de motor en ook nog alleen wil ondernemen heeft men zoiets van ‘dat kan niet goed gaan’. In de praktijk blijkt die angst overdreven, gastvrijheid en vriendelijkheid overheersen. Juist omdat ik alleen ben, klit ik niet aan een groep, maar richt ik me op de autochtone bevolking.
Vanwege de motor zit er geen glas tussen mij en de anderen. Tevens is het een object van bewondering wat als smeermiddel tot contact prima werkt. Een voorbeeld: in alle Afrikaanse landen is de maximum cilinderinhoud 200 cc. Als ik dan vertel dat mijn motor 600 cc is, beginnen ze fluitende en sissende geluiden te maken. De contacten met de plaatselijke bevolking doen zich veelvuldig voor, want waar ik ook stop, overal ben ik een welkome afwisseling in de dagelijkse sleur. Daarom drommen onmiddellijk om je heen geldwisselaars, babbelaars, motorwassers en handelaren in alles samen. Liefst allemaal tegelijk. Wat die handel betreft heeft men geen idee van de beperkte transportcapaciteit. Aangeboden worden eenmanshoge zak houtskool, kunst in allerlei formaten, luipaard- en tijgervel en ladingen jams en groenten. Een keer opende ik de tanktas om vervolgens vertwijfeld rond te lijken hoe die zak houtskool te bergen. Bij een wegversperringen werd om veterinaire redenen geroutineerd gevraagd of ik vee bij me had. Dit werd door mij bevestigend beantwoord door te wijzen op de 10 schapen in de linker koffer, 10 geiten in de rechter en 30 kippen in de tanktas. Wel was het altijd opletten dat er niks gejat werd; vooral door die kleine jong die speels in de buurt hangen. Het vervelende is dat ik door de voortdurende dwang tot oplettendheid achterdochtig werd, een eigenschap waar ik maanden na thuiskomst nog last van had.
Als het 5 uur is en de zon laag boven de Malinese bergen staat, is het de hoogste tijd om de tent op te zetten. Langer wachten geeft de malariamuskiet te veel kans op succes. In dun bevolkte gebieden kies ik gewoonlijk voor wildkamperen, maar in Malawi woont de bevolking te verspreid om onopgemerkt te blijven. Na enige kilometers schiet ik een geitenpaadje in dat naar een dorpje leidt en na uitbundig handen schudden informeer ik voorzichtig naar de mogelijkheid mijn tent op te zetten. Men nodigt me uit mee te komen en op een plek waar enkele hutten van leem en riet staan, helpt de hele familie me bij het opzetten van de tent. (zie foto onder).
Alles is nieuw voor ze: van multoband en luchtbed tot benzinebrander. Hilariteit ontstaat als het me lukt de tentstokken met één enkele beweging (want intern bijeengehouden door elastiek) strak te krijgen. ‘s Avonds heerst zomeravondtemperatuur en zie ik op 200 m afstand de savanne met meters hoge vlammen in brand staan. Kennelijk is dit aangestoken werk, want de anderen gaan heel gewoon door, o.a. met het stampen van cassave en natuurlijk het eindeloze gekwebbel. Waar hebben ze het toch allemaal over? Over mij? Het familiehoofd wijst me op een jonge vrouw en zegt: “Dit is mijn tweede dochter. Je mag haar hebben.” Een onverwacht aanbod dat me verward. Bedoelt hij dat ik me met haar een uurtje in mijn tent mag terugtrekken of dat ik haar mag trouwen? Ik ontkom er niet aan haar te taxeren en wat ik zie is een tenger lichaam van een groot gegroeid kind. (foto rechts voor met lichtblauwe mouwen) Met Livingstone-achtige gevoelens ga ik de nacht in en lig te rollen van het lachen. De volgende morgen geef ik de 18-jarige een restje van mijn boterham. Zij accepteert dit door haar handen in een kommetje te vouwen en na een buiging achteruit te lopen, een nederigheid die mij heel ongemakkelijk voelt. Als daarna moeder me met een knieval komt begroeten, begin ik het warm te krijgen. Nee, dit gaat te ver, dit wil ik helemaal niet! Wat te doen? Hun gastvrijheid wil ik belonen, maar niet op deze manier. Anderzijds ben ik te geïnteresseerd in hun cultuur om deze ervaring zomaar te laten lopen, dus buig ik voorzichtig een beetje mee: met de oudste zoon word ik het eens over de bruidsschat: een koe en een geit.
Wordt vervolgd.
Een droom wordt werkelijkheid – deel 1
Een droom wordt werkelijkheid – deel 3 (Slot)