Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

662821
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
65
376
1634
204297
9433
15606
662821

Your IP: 18.234.51.17
2019-05-23 02:05

Heeft het kind van Heimen en Johanna wel of niet geleefd

 

De Watersnood van 1740-1741

 

Eens was er een kleine agrarische nederzetting langs het waterstroompje “de Dusse”. In de loop der jaren groeide de nederzetting uit tot een zogenoemde ambachtsheerlijkheid. Thans kennen we dat als het dorp Dussen in het Land van Altena dat in vroegere tijden behoorde tot het graafschap Holland. In de veertiende eeuw werd er een “versterckt Huys” gebouwd, dat later door Arend II Van der Dussen tot kasteel is verbouwd.

 

 

Hier bevinden we ons in de agrarische omgeving waar ook Lodewijk Heijstek woonde na zijn vertrek uit Bergeyk. Voor zover we hebben kunnen achterhalen zijn in de loop der eeuwen minstens twintig naamgenoten in Dussen geboren. Een daarvan is het kind van Heimen Heijstek en Johanna Rombouts. Beide ouders zijn in Dussen geboren. In zo’n kleine gemeenschap zullen ze elkaar lang gekend hebben voordat zij op 24 december 1730 in hun geboortedorp in het huwelijk zijn getreden. In het jaar daarop werd een eerste zoon (Peter) geboren. In de jaren daarna baarde Johanna nog drie zoons: Antonie, Meeuwis en Wouter.

 

Muisjaar

In het bijzondere jaar1740 stelde Johanna vast dat zij door haar man wederom zwanger was geraakt. Nu was de zwangerschap op zich niet bijzonder maar wel het klimaat in Nederland. De voorafgaande winter was zeer streng geweest. Het zou in de jaren daarna zelfs de koudste winter van de achttiende eeuw worden genoemd. Laat in het voorjaar van 1740 sneeuwde het nog in Limburg en in de maand mei verschenen pas de eerste bladeren aan de bomen. Ook in de omringende landen was het weer van slag. Maar daarvan zal de familie van Heijstek-Rombouts zich niet bewust zijn geweest.

 

Weer of geen weer, als hij er tijd voor heeft kuiert Heimen door de uitgestrekte polder of over de beschermende dijk. Daar kijkt hij naar het spiegelgladde wateroppervlak. Als in een vertraagde tijdopname ziet hij kleine golfjes naar de oever glijden. Glimlachend beziet hij een rijtje door de regen verpieterde bruine mussen op een scheef weggezakte schutting. Hier en daar praat hij met boeren die hij kent. Zo vernam hij eens dat 1740 een Muisjaar werd genoemd vanwege de miljoenen muizen die dit jaar werden geboren en die het gras bij de wortels afvraten. De boeren waren toch al niet blij omdat de hele zomer een gestadige “Plasreegen” de velden en de akkers met water had verzadigd.

 

Extraordinaire en nooyt gehoorde hooge waeteren

De zon kwam op in een explosie van licht. Nevels in de polder strekten zich uit boven koud water. Weggestoken in een dikke duffelse jas liep Heimen diep in het najaar op zijn houten klompen weer eens door de polder.  Hier en daar zakte hij wat weg in sompige grond. Hij keek naar de wolken aan de horizon waaraan de ondergaande zon kleuren gaf van pruimen en perzik. Voor hem een wonderschone beleving. Het was ook koud die dag. Al op 26 oktober van dat jaar was de vorst ingetreden. De koude zou tot juni van 1741 aanhouden. Maar dat kon hij toen nog niet weten. Heimen was bij zijn vader Meeuwis geweest die vanaf 1737 Schepen was van Dussen-Muilkerk. Met hem wilde hij van gedachten wisselen over de veiligheid in de polder. De vele regens van de laatste tijd baarden hem zorgen. Heimen had signalen opgevangen dat het water hoog tegen de dijken stond die de polder en daarin aanwezige dorpen tegen watergeweld moesten beschermen.

 

Weer thuis gekomen, waar Johanna extra turf  in de kachel stookte en het behaaglijk warm maakte, vertelde Meeuwis dat hij had gehoord over “extraordinaire en nooyt gehoorde hooge waeteren”. Uit overleveringen kenden zij de verhalen van vroeger over grote overstromingen.

De oudste bekende watersnoodramp is die van Palmzondag 10 april 1446. Daarna volgde nog een lange rij: 1529 - 1531 - 1552 - 1571 - 1573 - 1595 - 1598 - 1622 - 1651 - 1658 - 1694 - 1704 - 1726. Hun voorouders hadden het allemaal meegemaakt.

In de polder waren ze wel het een en ander gewend. Het water dat zo vaak over de dijk de polder in stroomde gaf overlast, maar soms nauwelijks. De molens in de polder konden het water meestal weer snel wegmalen. Voor de boeren had het ook wel enig voordeel. Het water zorgde voor een dunne kleiafzetting op hun akkers en zij wisten uit ervaring dat hun granen daar uitstekend op groeide.

 

Watersnood

Heimenen Johanna hadden met hun vier zoons Kerstmis gevierd en waren vanwege de aanhoudende koude vroeg in de bedstede gekropen. Wat zij niet wisten dat in nabije polders Kerstmis 1740 er een was zonder kerkgang. De meeste kerken waren toen onbereikbaar geworden door het hoge water, terwijl er ín de kerken ook veel water stond. In overleg met de Predikanten was besloten op Eerste en Tweede Kerstdag geen kerkdiensten te houden.

 

Even na middernacht werd het echtpaar Heijstek opgeschrikt door een onheilspellend torengeklep. Snel maakten zij hun kinderen wakker. Aangekleed en buiten gekomen zien ze dat het water over de dijk langs het Oude Maasje de polder in stroomt. In korte tijd wordt het land in een onafzienbare water- en ijsvlakte herschapen. Mannen, vrouwen en hun kinderen raken gedesillusioneerd. Huisraad dobbert langs verdronken vee. In de verte zien ze verwoest huizen door het water verzwolgen.

 

 

 

 

Details over hun handelen van Heimen en Johanna en waar het gezin naar toe is gevlucht, zijn helaas niet meer te achterhalen. Wel weten we nu dat de Lekdijk tussen Ameide en Lexmond was doorgebroken waardoor de Vijfherenlanden onderliepen. Ook in de Betuwe, de Tielerwaard, de Alblasserwaard en het land van Heusden en Altena braken de dijken door en kwam het land onder water te staan. Provincie hoofdstad ’s Hertogenbosch liep geheel onder water. Op ander plaatsen stroomde  water over de dijken.

 

In publicaties uit die tijd is te lezen: “in Dussen stroomde het water in den ruim duizend en twintig bunders grooten polder meer dan 125 ellen hoog over de dijk, waardoor de gansche streek onder liep, huizen spoelden weg, beesten kwamen om en vier of vijf menschen verdronken".

 

 

 

 

 

 

De communicatie ging in die tijd niet zo snel als heden ten dage. Men was afhankelijk van wat er in kranten werd gepubliceerd. De “Saterdagsche Rotterdamsche Courant” No.3 van het jaar 1741 schreef over deze ramp:

“Heusden 1 januari. Het vee, 't geen door de overstrooming is verdronken, is bijna onnoemelijk. Daer zijn Boeren, die 40 stuks verloren hebben, en de armoe en gebrek die men sich in 't Land bij die noch in haer huijsen op solders zitten en in de kerken en op de Torens gevlucht sijn is soo groot, dat het met geen pen te beschrijven is. Men heeft 2 à 3 dagen met brood van het eene Dorp na het andere gevaren; en tot Genderen zaten op de Toren 24 kleine kinderen, een vrouw die hoog swanger was, en dan noch wel 14 à 15 oude Luijden, die in 2 dagen en nagten geen brood, vuur of ligt hadden gehad, en op het sien van het brood bijna vogten, wie het eerst soude hebben.”

 

 

 

 

 

Op 18 januari 1741 maakte ook de Leydse Courant melding van het drama en gaf zo meer inzicht in de omvang van de Ramp.

 

De overheid zag al snel in dat er (financiële) hulp moest worden geboden. Zo werden de dorpen Dussen-Munsterkerk en Muilkerk vrijgesteld van de ordinaire verponding voor de jaren 1740 en 1741 en voor reparatie van de pastorie en de kerk een som van f. 1.359 en 11 stuivers uitgekeerd. Ook Eethen en Meeuwen ontvingen ondersteuning voor het herstel hunner kerken, pastorieën en schoolhuizen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doopplechtigheid

De zwangere Johanna Rombouts ondervond aan den lijve dat de biologische natuur zich door niets laat weerhouden en ondanks de overstromingen baarde zij een kind dat vanzelfsprekend moest worden gedoopt.

In het Dussense doopboek is vermeld dat op 22 januari 1741 gedoopt is “het kint van Heijmen Heijstek en Johanna Rombouts en is …….”.Op de plaats van de puntjes had de naam van het kind moeten staan, doch dat is niet ingevuld. Hoewel er geen enkele zekerheid over bestaat, kan het zijn dat het hier een doodgeboren kindje betreft. De doop werd zo belangrijk gevonden, dat die altijd doorging. Zelfs als het water de kerk instroomde.

 

Als het hier inderdaad een doodgeboren kind betreft zou, gelet op de bijzondere omstandigheden waarvan in januari 1741 sprake was, het kunnen zijn dat een vroedvrouw een nooddoop heeft toegepast. Dat kwam in die tijd vaker voor. De vroedvrouw deed dat ter plekke, zodat het kind dan toch een christelijke begrafenis kon krijgen. Per slot van rekening duurt het dopen minder dan een minuut. Drie kletsen water en de formule: “… ik doop je in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes”. En daarmee is het gedaan. Als het kind in leven bleef, dan werd het daarna nog een keer “gewoon” gedoopt door de predikant.

Talloze documenten zijn doorgespit, nergens zijn we aantekeningen tegengekomen waaruit valt op te maken of het kindje van Heimen en Johanna wel of niet heeft geleefd en/of het een zekere leeftijd heeft behaald. Wie weet waar we in de toekomst nog eens tegen aan lopen?

 

Bekijken we het betreffende doopboek verder, dan lezen we op dezelfde bladzijde een kantlijnaantekening waaruit blijkt dat op 26 Maart 1741 wederom het water de kerk in stroomde, waardoor een doopplechtigheid dermate gestoord werd dat zowel Ds. Halmans als zijn gemeente haastig een veilig heenkomen zochten en de namen der kinderen oningevuld bleven. Later zou koster Jacobus Hagoort in het boek aantekenen: De naam van dit kind is wegens overstrooming . . . ontgaan.

 

Niet uit te sluiten valt dat we hier te maken hebben met een administratief minder zorgvuldig werkende dominee of koster. Ook bij records van kinderen die in november 1741 zijn gedoopt ontbreken soms hun namen.

 

Uit door de kosters Pieter en Wouter Hagoort bijgehouden registers weten we nu nog dat Heimen Heijstek op 15 juni 1758 in de kerk van Dussen is begraven. Zijn oudste zoon Antonij werd daar op 23 oktober 1770 ter aarde besteld en zoon Meeuwis op 30 maart 1773. Johanna Rombouts vond er op 6 juni 1793 haar laatste rustplaats.

 

Het kind van Ariaantje Heijstek

In dezelfde periode werd in Dussen Ariaantje Heijstek, die gehuwd was met Antoni Jaconsz van Crimpen (Krimpen) moeder van Mecheltje. Deze ouders lieten hun dochtertje op 6 januari 1741 dopen. De dienstdoende dominee vond het zo bijzonder dat hij in het doopregister aantekende dat de plechtigheid plaatsvond “in de Watersnood”.

 

 

Ariaantje Heijstek, een kind van Meeuwis en van Mecheltje D’alm, was op 21 november 1734 in Dussen als jongedochter in het huwelijk getreden met Antoni van Crimpen. Een maand daarvoor waren zij in ondertrouw gegaan. In de volgende jaren werd Ariaantje moeder van Meeuwis (1737) en van Grietje (1738). Gelet op de omgeving waar zij woonden mag worden aangenomen dat Antoni als bouwman het inkomen voor zijn gezin verdiende.

 

 

Geraadpleegde bronnen:

Ø  Hoog water in ‘s Hertogenbosch door Henk Brugeman 1994

Ø  Geschiedenis van Dussen en zijn Kasteel door H. Donkersloot, 2002

Ø  De dijken van Heusden; gemeente Heusden, 2012

 

 
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen