Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

508627
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
6
529
6
49962
14500
22863
508627

Your IP: 54.80.102.170
2018-08-19 00:19

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 4

Het betreft hier een vrijwel letterlijke transscriptie van het document dat eigenhandig door Jan Heijstek in Afrika is opgesteld. Slechts enkele woorden zijn aangepast aan het hedendaagse Nederlands.

 

Zijn eigenhandig geschreven levensverhaal; deel 4

 

De jaren als Landdrost, opsluiting in een concentratiekamp

 

Ik had als lid van de Krijgscommissie mede te zorgen voor het zenden van voedsel en benodigdheden voor de burgers na de grenzen aldaar, zo ook slachtvee, paardenvoer, enzovoort. Spoedig bleek het al dat er onder hun waren en zo ook van de burgerofficieren het zij tot hun schande gezegd, die nimmer tevreden gesteld konden worden en het ons Ambtenaren van Pietersburg zo moeilijk mogelijk maakte, en de oorlog voor hun voordeel en gemak gebruikte. Ik bedoel diegenen wie de schoen paste om aan te trekken. Doch ik had persoonlijk ook een groot aantalvrienden onder de burgers en hun officieren zo als later bleek. Onder anderen werd door een zeker Veldcornet een bericht aan iemand in Pietersburg gestuurd als: "Maak 't die ambtenaren in die dorp so warm as ie kan, hulle zit daar lekker, en ons lêh in die veld". Dezelfde persoon n.m. die Veldcornet ging later als een verrader van zijn volk in de oorlog tegen ons vechten en toen ik hem later op het schandelijke van zijn gedrag wees mij antwoordde "Duisenden van ons met mij". Geen wonder dat we het onderspit moesten delven door al 't verraad later. Toen het leven mij door zulke personen zo onaangenaam werd gemaakt, vroeg ik aan de Regering om persoonlijk na de commando voor dienst te mogen gaan. Doch de Regering antwoordde beslist, "blijft op uw post".

 

Later vroeg ik nog tweemaal daarvoor dat mij ook geweigerd werd. Doch nu kwam er een zaak waarmede de Regering dan toch wel te doen kreeg. De leden van de Krijgscommissie hadden opdracht voor het kopen van slachtbeesten ten behoeve van de commando burgers geen hogere prijzen te betalen dan £14 voor een grote os en £10 voor een slachtkoe. Nu gebeurde het dat een zekere persoon een groot aantal slachtbeesten in zijn bezit (of een companie, dat weet ik niet) had, welke beesten aan de Regering verkocht werden zonder mijn kennis, voor een bedrag van zowat 'n £3000. De beesten waren op Kalkbank wijk Maleetsis land. Ik kreeg opdracht, omdat er suspicie bestond dat er bezigheid op grote schaal achter zat, die beesten met de Krijgscommissaris te gaan waarderen. Ik ging dan met hem in november naar Kalkbank (Daartoe had ik opdracht en verlof te gaan), en keurde 67 vandie beesten af, als gevolg dat ze de prijs ervoor betaald hoegenaamd niet waard waren. Van Kalkbank gingen wij na Krokodilrivier waar het lager bij Rhodesdrift stond. Daartoe had ik geen verlof van de Regering gekregen. De 20e november 1899 kwamen wij er aan. De Krijgsraad aldaar had dezelfde dag een besluit genomen om een afdeling Engelse die uit Tuli aan andere zijde van de rivier op Rodesia terrein te gaan bijtrekken. Wij, ik en de Com’s. werden in de tent van de heer Nicholson gebracht. Door een zekere partij was er een complot gesmeed om ons alles behalve fatsoenlijk te behandelen. Een zekere Roos, en nog al een schoonzoon van de Commandant van Rensburg (Hier blijkt hoe ellendig de discipline in ’t lager toen al was, een schoonzoon van de burger Commandant, schande)- kwam de tent in en begon ruzie met de Commissaris te maken, welke zo hoog liep dat hij de onbeschaamdheid had zijn vuist in 't gezicht van de Com’s te drukken met de woorden "Morre sal jij en de Landdrost saam met ons gan veg", toen er gelukkig bezadigde personen op af kwamen, zonder dat het ergste kon gebeuren, en hem de tent, nm. Roos, uitzette. Ik had mijn revolver al uit de holster in mijn hand om de kerel, had hij dat aan mij gedaan, voor de kop te schieten. Toen kwamen een grote partij burgers na de tent en vroegen wat er gaande was geweest waarop ik de zaak vertelde, en er bijvoegde "Morgen ga ik met de Commissaris terug naar Pietersburg, en als hij niet gaat ga ik alleen". Ik had mijn eigen paard ook voor het rijtuig gehad, en ook mijn zadel en toom. Toen zei een der burgers, en het zij te zijner ere gezegd "Landdrost, ons het vandaag 'n Krijgsraad besluit geneem om môre te gaan veg, en as die kerel julle nie om ekskuus kom vra nie, dan gaat die helfte van die burgers met jou saam terug na Pietersburg, en ons gaan nie veg nie, hoe kan ons so seën op ons werk hier verwag." Ik kan mij zijn naam niet goed meer herinneren, doch denk hij was mijnheer Bosch. Diezelfde avond kwamen er van de officieren van de Artillerij twee bij mij klagen dat zij voor hun en hun manschappen geen slachtbeesten konden krijgen uit het lager der burgers. Hun kamp met kanonnen was apart, een kleine afstand van het lager opgesteld. Ik ging met hun na de Commandant der burgers en liet dadelijk twee beesten aan hun sturen. Begrijp de wanorde die er bestond, doch het zou spoedig nog erger worden. Omtrent een uur of tien diezelfde avond hadden enige personen het zo ver weten te krijgen, dat ze met de brutale Roos naar de tent kwamen en hem zijn brutaliteit deden terugtrekken en hem om excuus aan ons deden vragen. Waarschijnlijk werd begrepen dat de Landdrost niet met hem zou laten spelen, daar hij een genoegzame partij had die hem ondersteunde. De volgende dag ging de burgermacht Rodesia in, en al spoedig ging het op de Engelse die in een randje lagen los. Het was toen de 21e november op mijn 51ste verjaardag. Ik kreeg een rijpaard van zekere mijnheer Slabbert die als hoefsmid de paarden besloeg, en liet mijn rijpaard door hem beslaan.

Ik ging met een gedeelte der Waterberg politie onder Stefanus Grobler met een maxim kanon op een muilwagen mede en nam deel aan 't gevecht. De Krijgscommissaris was met groot deel der burgers meegegaan, en zo toonde we beiden dat we geen lafaards waren. Ik ging bij een der Artilleristen die een pompom bediende staan met de verrekijker in mijn hand, en hielp hem de koers aanwijzen hoe op de vijand te schieten. De Engelse hadden geen kanon bij hun, doch schoten scherp met hun geweren op ons, een kogel van hun trof ons kanon op de loop en tussen de loop en de schildplaat er boven op sloeg een splint van de kogel de Artillerist boven het oog, zodat hij dat moest laten verbinden door de dokter, doch ging dadelijk weer aan. Tegen de zonsondergang gingen de burgers naar het lager terug na een wacht van onze kant achtergelaten te hebben. Twee van onze mannen sneuvelden, die met enige personen als vrijwilligers de Engelse te nabij bijgegaan hadden, een Duitser en een burger. De burger was G. v.d. Merwe, de naam van de Duitser herinner ik mij niet meer. Ze werden in 't lager begraven. De Artilleristen waren meer noordelijk langs de rivier getrokken om een konvooi dat vanTuli aan het komen was te nemen. Dat gelukte hun na een kort gevecht volkomen. De gevangenen niet de buitwagens werden in het lager gebracht. Van de officieren kwamen terug, de kanonnen bleven met enige manschappen achter, om welke reden mij onbekend. Ik meld alleen datgene wat ik van de zaken weet en zelf hij ben geweest. Op eens hoorde ik in 't lager door de burgercommandant roepen "Die kanonne is in gevaar, hul moet gehaal wordt", een opschudding in 't lager, de één zei dat, de ander zóó, er was dan een grote stofwolk gezien aan de kant van Rhodesia, die ander vertelde 't was een zwerm sprinkhanen enzovoort. 't Was toen al donker en na wat tumult werden de kanonnen teruggehaald. Was er verraad in 't spel? Ik vraag maar. Was er op dat ogenblik een sterke Engelse macht met kanonnen op ons lager afgekomen, mag Job weten hoe het gegaan zou zijn. Het lager was geheel niet eens voor verdediging ingericht. De volgende dag werd weer op het Engelse kamp door de burgers geschoten tot op de middag, doch er kwam geen enkel schot terug. Toen besloten een gedeelte het kamp te bekruipen en nader gaande bespeurde ze dat er geen enkele ziel in was. Ze maakte rapport, en het werd bevonden dat de Engelse de nacht een sarsie afgeschoten hadden en gevlucht waren. Was er de avond van de 21e nog een paar sterke wachten uitgezet dan zouden zij geen kans tot ontvluchten gehad hebben, maar tot overgave gedwongen zijn. In het kamp lagen 27 paarden dood, enige wagens stuk geschoten stonden er nog, alles natuurlijk ten gevolge het werk van pompom aan onze zijde.

 

De volgende dag ging ik met de Krijgscommissaris terug naar Pietersburg. Intussen was er door de een of andere persoon rapport van de zaken naar Pretoria gemaakt, zeker uit het lager. Een paar dagen na ik op 't dorp terugkwam kreeg ik een telegram vande Regering verzoekende mij hoe de zaken bij Rhodesdrift stonden omdat ikzelf daar was "En wel zonder verlof van de Regering” en mijn rapport aan de Regering te sturen. Ik maakte mijn rapport in dien vorm als reeds beschreven.

 

De hoofdcommandant van het district (aangesteld tegende Wet, want bij ons was geen hoofdcommandant in militaire dienst, wel in de Oranje Vrijstaat was na Pretoria uit het lager gegaan met zeker voor hem redenen onnodig hier zeggen. Ik kreeg een wenk privaat om op mijn hoede te zijn. De hoofdcommandant was mij dus één dag voor. Dezelfde avond kreeg ik een telegram van de Regering om de volgende dag te komen met de trein. Zij, de Regering wenste mij te zien. Ik ging en kwam laat in Pretoria aan. Daar de Uitvoerende Raad allen te huis waren, en ik naar de Presidents woning gegaan was, zei Z.H.Ed. mij, dat hij de Uitvoerende Raad zou verzoeken nog diezelfde avond bij hem te komen om zaken te bespreken, en mij verzocht tegenwoordig te zijn. Om acht uur begon de zitting. tegenwoordig waren Z.H.Ed. de President, Z.Ed. de Staats Secretaris, Z.Ed. Wolmarans, Z.H.d.P.G.W. Grobler, de Hoofdcommandant B. Forster, S.J. Eloff officier van de Artillerie met twee onderofficieren of adjudanten en mijzelf.

 

Z.H.Ed. de President nam het eerst het woord en vroeg zo tot mij “Landdrost wij hebben een rapport van u ontvang inzake toestand noordergrens van ons commando daar, is dat uw rapport?”

 

Antw. "President, mag dat rapport a.u.b. voorgelezen worden? "(Ik was eerbiedig opgestaan). De President tot de heer Grobler, "Lees het rapport". Het werd gelezen zoals door mij geformuleerd in eigen hand.

 

Vr. "Landdrost is dat uw rapport?"

 

Antw. "Ja geheel en al, en ik zal het met bewijzen staven."

 

Toen kwamen Sarel Eloff en de twee anderen personen na voren en zeiden ieder op hun beurt: "Het rapport van de Landdrost is geheel correct, en kunnen dat desverlangd met Bede bevestigen". Toen stond de H.Commandant op, na Z.Ed. gevraagd werd wat hij te zeggen had. Hij begon met de goede orde in 't lager te vertellen, hoe voor allen en alles gezorgd werd en een dozijn andere dingen om mijn rapport zoveel mogelijk belachelijk te maken, enz. enz. Toen Z.Ed. de heer A.D.W. Wolmarans (die toen ook opgestaan was) zei "mijnheer Forster wij hebben nu genoeg van u gehoord, wij willen de Landdrost ook een beurt geven". Z.Ed. vroeg mij toen of ik ook nog wou spreken, waarop ik antwoordde de zaak in handen der Regering te laten, beschouwende dat ik mijn plicht had gedaan, met te rapporteren waarvoor de Regering mij verzocht had. Toen nam Z.H.Ed. de President het woord en zei o.a. als volgt: "Landdrost geef ons een voorstel". Waarop ik antwoorde dat naar mijn bescheiden opinie de Regering, als zaken een betere toestand en loop moesten nemen, de order te geven dat de burgers hij 't Zoutpansbergse commando zelf de officieren onder hun moesten kiezen (dit aangaande de burgerofficieren) die ze vertrouwen konden de leiding in 't waarachtig belang van 't land zo als de zaken nu niet oorlog stonden te kunnen en zullen doen, daar de burgers wel wisten welke daarvoor bekwaam en getrouw zouden zijn en welkt niet. Er waren wel burgers op 's commando die er bekwaam voor waren de leiding op zich te nemen en die geen zakpatriotten waren. En die officieren die bewezen dat niet te kunnen of willen doen dadelijk ontslagen moesten worden".

 

Na enige ogenblikken zei Z.H.Ed. "Wij zullen de tegenwoordige burgerofficieren nog een kans geven". En waarop ik zei "Goed President, ik heb mijn plicht gedaan". Daarmede was de zaak geëindigd. De volgende dag ging ik terug naar Pietersburg vast besloten mijn plicht te zullen doen zolang het mij mogelijk was. Later werden zaken zo geregeld dat Assistent Generaal Beijers de commando’s van Zoutpansberg en Waterberg onder zijn leiding kreeg tot tijd en wijlen Z.Ed. Gestr. bij de inname van Pietersburg door de Engelse naar de Wolkbergen terugtrok en daar bleef tot de vrede gesloten werd. Het hopeloze van de strijd door ons werd eindelijk ingezien door onze officieren en Regering en moesten met verlies van de onafhankelijkheid waartoe Engeland toch allang besloten had, het beste maar van de zaken voor ons maken.

 

Ik zal de verdere beschrijvingen der commando’s aan andere personen overlaten, die een meer werkelijk aandeel daaraan genomen hebben, genoeg voor mij te zeggen dat ongeveer een maand nadat Pietersburg door de Engelse ingenomen was, en ik in de Spelonken met de Krijgscommissaris en andere ook niet verder konden, en groot gevaar liepen door de tegenstanders vermoord te zullen worden, besloten terug te gaan en om het beste van twee gelegenheden te nemen, ons aan die Allerchristelijkste, allerbeschaafste, edelmoedigste beschermers van de kleine natiën (sic) over te geven, daar het toch voor ons hopeloos was verder tegenstand te doen. Enige dagen toen ik in Pietersburg terug was (ik was op parool) kreeg ik een bezoek van een zekere officier of zo iets, een zogenaamde Majoor Bolton. Dat was in de private kamer van de eigenaar van het Transvaal Hotel aldaar, alwaar hij, Bolton, mij had laten roepen. Mijn verblijf was in 't Gouvernementshuis waar ik als Landdrost gewoond had, doch mijn familie was naar Pretoria vervoerd na de inname van Pietersburg. Met echte geveinsdheid zulke personen waardig begon hij mij van de dingen die onder mijn zorg enzovoort geweest waren als Landdrost te vragen om te zeggen wat er van geworden was, en of ik iets wist van hiervan en daarvan. Ik antwoorde hem kortaf door een tolk tussen ons: Ik heb als burger en Ambtenaar der Z.A. Republiek mijn plichten gedaan, zolang dit mij mogelijk geweest is. Ik heb de sleutel van het Landdrostkantoor in 't slot gelaten en aan de Constabels die achterbleven gezegd er naar te kijken, waar enig gouvernementseigendom of ammunitie is enz. enz. Staat niet van mij te vertellen omdat ik geen recht heb dat te doen en het ook niet wil doen. Ook zei ik hem dat ik nu buiten alle zaken stond wat de oorlog betref, en zelf zoveel van een verklikker van mijn eigen volk, als hij van het zijne dacht. Hij stond op met de woorden "Ik zal u naar Pretoria sturen, en u daar bijzonderheden laten vragen". Ik had nog mijn eigen zaken die ik mede naar 't veld genomen had, behalve mijn geweren en ammunitie, in de kamer daar ik in kon blijven, en at mijn eigen boerbeschuit waarvan ik een kastje vol had, en kreeg mijn koffie en thee bij het hotel. Mijn meubels waren voor 't grote deel vernield en gestolen. Enige dagen werd ik onder een wacht van een Hooglander Scot tot bij Nijlstroom, en van daar door een Koloniale vrijwilliger naar Pretoria per trein gebracht. Mijn treinkosten £3 moest ik zelf bovenop betalen. De avond na 10 uur kwam de trein in Pretoria op de statie aan. Ik werd daar in een kleine khaki tent gebracht, en daar het begin juni maand en vreselijk koud was. Ik had de koortsziekte of malaria koorts onder leden, vroeg ik de officier daar mij toe te laten na mijn familie te gaan. Hij zei, waar is die? Ik antwoordde bericht hebben dat ze nabij de presidentswoning waren. Hij, ’t is achter tien uur, niemand mag op straat zijn. Ik, geef mij een wacht mede. Na enig conversatie tussen hun gaf hij mij een permit te gaan en daar tot de volgende morgen 10 uur te blijven. Een Khaki soldaat bracht mij weg. Mijn goed bleef achter. De volgende morgen acht uur kwam er een cap voor de deur voorbij die ik aanriep. Ik had mijn familie spoedig zonder moeite gevonden. Ik had niet goed opgelet dat op permit de bepaling stond stipt tot 10 uur in huis te blijven. Ik ging met de capman naar het station om mijn goed te halen, en net toen ik het op het rijtuig had, kreeg ik bevel "Sta". Ik zag dat er fout kwam, maar gaf de man met het rijtuig £2 en zei hem het goed na mijn familie te brengen, dat dan niet gehinderd werd. Ik werd naar een zeker kantoor gebracht waar mij gezegd werd dat ik naar het Restcamp moest gaan. Ik vroeg de klerk die er was, om welke reden dan? Die zei dat het aan al onze mannen onverschillig wie hij was gedaan werd, en sprak met medegevoel met mij. Die klerk was zeer beleefd, en deed al het mogelijke voor mij. Ik vroeg hem of er dan geen kans was mijn familie ervan in kennis te stellen en afscheid te nemen. Ik begreep dat het wel zou uitlopen mij weg te sturen, daar ze toch geen verrader van mij kunnen maken. Nadat hij enige tijd in een andere kamer van 't huis geweest was kwam hij terug en zei "Mijnheer geef mij uw woord om 12 uur hier terug te zijn, dan kan u gaan". Ik beloofde dat, ging, vertelde mijn familie de zaak, sprak enige dingen af, gebruikte nog iets, en 15 minuten voor 12 uur was ik present. De klerk maakte nog de aanmerking "Mijnheer u hebt strikt woord gehouden". Toen kwam er een gewapende soldaat om mij weg te brengen. Na een paar honderd treden gelopen te hebben, zei ik hem, op 't bietje Engels dat ik ken, dat hij een rijtuig moest krijgen om mij weg te brengen, dat ik niet ging lopen. Ik wist waar ik heen moest, dezelfde plek onder de rand waar ons Gouvernement de Engelse gevangen soldaten in hebben gehad. Hij vroeg mij of ik geld had ervoor te betalen. Ik zei, ik breng jou niet weg, maar jij mij, dus moet jij betalen. De stumpert zocht in zijn zakken en vond een £2 stuk, riep een cabbi, en ik werd met een wacht naar het Restcamp gebracht, en aan de commandant ervan afgegeven.

Hier waren er heel wat krijgsgevangenen van Waterberg district, ook de 1e Klerk van mij als Landdrost van Zoutpansberg en anderen. Zo kwam ik in het krijgsgevangenkamp terecht, dat onze autoriteiten opgesteld hadden om de Engelse in op te passen. De eerste halve dag en nacht gebeurde er niets bijzonders, als dat er die volgende dag een sterke koude Zuidenwind ging waaien die door merg en been drong. Wij moesten de gehele dag in de zon achter het gebouw op de been blijven om ons zo mogelijk wat warm te houden. De nacht daarop volgende kreeg ik inflammatie in de longen. Ik was in slaap geraakt en werd wakker van pijn die zo erg was dat ik bijna geen adem kon halen. Ik liet een der officieren roepen en vroeg om een dokter, doch vergeefs. De andere dag 's morgens nadat er naar 't dorp Pretoria bericht van mijn toestand gestuurd was, kwam er een officier naar 't kamp met name Hisserick die er van hoorde en de persoon werd door wiens toedoen ik uit het kamp gelaten en naar mijn familie gebracht werd. Deze officier werd op 21 november 1899 door onze Artillerie krijgsgevangen genomen, naar Pietersburg gezonden, onder mijn bewaring gedeeltelijk gesteld en later naar Pretoria gestuurd, alwaar hij met de inname van Pretoria vrij kwam. Hier kwam ik onder behandeling van een Duitse en een Engelse dokter en bleek het dat ik in beiden longen zware inflammatie had. Wat ik toen geleden heb kunnen die menslievende personen getuigen die mij hielpen oppassen en verzorgen. In dien tussentijd kreeg ik en mijn familie aldaar 't smartelijke bericht dat mijn zoon Jan Heijstek (I3961) op commando te Wijsfontein overleden was. Dat bericht werd ons gebracht door vrouwen die uit het Rustenburgse door de Khaki ' s naar de Pretoria concentratiekampen gebracht werden. Hij was aan ingewandskoorts overleden. Dit moet in augustus gebeurd zijn dat we het bericht kregen. Zo ging het jaar 1901 voor ons nog altijd in oorlog voorbij hopende op vrede die niet kwam. En het jaar 1902 brak aan in welks begin de grootste slag mij trof gedurende mijn leven tot dus ver. Het was in begin januari van dat jaar dat mijne echtgenote aan de ingewandskoorts ziek werd, en alhoewel alle menselijke hulp gedaan werd, op den 31e dier maand na een lang en smartelijk lijden mij door den dood ontviel. Hier stond ik bij de stervenssponde, met mijn drie jongste kinderen van mijn echtgenote met wie ik bijna 34 jaren geleefd, geleden en gestreden had. Niet alleen voor onze kinderen, doch ook voor ons land en volk. Onze Gereformeerde beginselen en alles wat recht en billijk was, een donkere toekomst voor ons, de oorlog onafgebroken voortgaande, mijn enige dienstdoende zoon met zijn zwagers in 't veld, hun familie in de concentratiekampen. Ik werp de sluier maar liefst hier over, want dat scheurt toch maar alleen weer oude wonden open, in welke onze Opperste geneesheer balsem in Zijne ontferming gegoten heeft, waardoor we de smarten hebben kunnen dragen. Zij werd met behulp van vrienden en vriendinnen de 1e februari 1902 op het Hollands Kerkhof te Pretoria begraven, bijna langs de grafstede van de Krugerfamilie. Een grafsteen is nu in de maand november 1925 er opgericht door mij en haar kinderen.

 

Uiteindelijk werd in mei 1902 de vrede gesloten en de commando's ontbonden.

 

Wordt vervolgd.

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 1

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 2

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 3

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 5

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 6

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen