Gebruiken veranderen. K staat voor kilo. In het Grieks is “Chilioi” het woord voor 1000 en is daarmee de oorsprong van Kilo. Duizendtallen (2000, 20.000, 200.000) worden vaak afgekort met de letter K (2K, 20K, 200K). Deze schrijfwijze vindt zijn oorsprong in de IT-wereld zoals bijvoorbeeld het aantal bytes voor een diskette weergegeven in kilobytes.

Voor ons genealogen is de K de elfde letter uit het alfabet, de eerste letter van een serie mooie woorden met misschien wel minder bekende betekenissen.

Genealogische woorden en begrippen beginnende met de letter K

Aan de kaak stellen is duidelijk maken dat je iets verkeerd of schandelijk vindt. De kaak schandpaal is echter een verhoging, platform of een schavot.

Een kaakkalaar is een snoever of opschepper.

Een kaakster is niet de vrouw die haring kaakt, maar een die veel praat.

Kaal betekent arm.

Kaalkin betekent melkmuil.

Kaasjager is schooier.

Kadaster grondbeschrijving register van alle gronden en onroerende eigendommen in een land.

Wie kaenpe verbouwt, teelt vlas of hennep.

Een kaerdemaker is een wolkammenmaker.

Kalenden is de 1e van de maand in de oud Romeinse kalender.

De koperslager werd voeger kaltschmied genoemd. Maar een kandler is een tingieter.

Kammelot is stof van dierlijk haar.

De versterking op een schildis een karbonkel.

De karolusguldens was een betaalmiddel, 1 Carolusgulden=20 stuivers kwam voor in 2,94 gram goud en in 23,72 gram zilver.

Wie een kasjak draagt heeft een lange overjas aangedaan.

Een kede is een ketting en een kedel een vrij kort en wijd overkleed.

Keeldarm betekent luchtpijp.

Kelle is een waterloop bij een watermolen, maar een kelnear is een kelder.

Kerfstoc een stok waarop door kerfjes of insnijdingen aangewezen wordt, hoeveel de houder van de kerfstok op krediet gehad had ontvangen.

Een ketikyn is een kettinkje.

Met kevesch bedoelde men buitenechtelijk, onecht.

Een kinderflepje was een driehoekig doekje voor onder het kinderhoofd.

Met kinderheffen bedoelde men het dopen van een kind.

De kindoeck is de doek om de kin van een overledene.

De doodbidder, aanzegger van overlijden werd klagansager genoemd.

De nachtwaker met klapper of klepper die elk uur de tijd aan gaf was een klapperman.

Handelde je in klompen dan kende men je als een klippkrämer.

De kloostermop is een baksteen uit de middeleeuwen.

Klotermelk is gestremde melk.

Werd je als echtgenoot bedrogen, dan werd je een koekernoot genoemd.

Een heks kende men ook als een kolrijdster.

Uit kopzaad groeien geen plantjes. Het is een oppervlaktemaat, 1 kopzaat = 1/4 lopenzaat = 12 vierkante roeden.

Kraamkint is een pasgeboren kind, meestal de aanduiding voor doodgeboren.

Kroosheemraden zijn vertrouwensmannen binnen een dorp, zij zorgden voor de wegen, sloten en dijken.

Kruidenhandelaar is een kruder, maar een kruf is een hoerenkast of een kroeg.

De krugbäcker bakt potten.

Het kruishout is een timmermansgereedschap en de kruisschepel een inhoudsmaat bij graan.

De kumper is een verfknecht.

Dit zijn slechts een beperkt aantal voorbeelden van veranderingen in de Nederlandse taal.

Wordt vervolgd met letter L.

Voor deze publicatie is gebruik gemaakt van het door de heer André Dumont samengestelde Genealogisch Woordenboek. Wilt u meer oude woorden leren? Kijk dan op www.genealogieonline.nl/woordenboek

**